Film & TV | Games | Boeken & Comics

Kort verhaal: De Theekoepel – Patrick Brannigan

Hun nieuwe tuin beviel Diederik allerminst. Hij was de heg aan het snoeien, voelde zich ongemakkelijk, maar wist niet waarom. Vooral de theekoepel vervulde hem met afschuw. Het was een keurig gebouwtje, netjes geschilderd, maar iedere keer als hij er naar keek dan liep een rilling over zijn ruggengraat. Alsof iemand vanachter de ramen terugkeek. Diederik veegde het zweet van zijn voorhoofd en liet zijn blik op het onding rusten. Er was beslist iets onheilspellends aan. Diederik beschouwde zichzelf als een nuchter iemand: bij de marine gediend, topfunctie bij één van ’s lands grootste banken en nooit teveel fantasie gehad. Maar toch, die koepel. Hij was er bang voor. Ja, dat durfde hij zichzelf best toe te geven.
  ‘Pas op!’ Marianne greep hem bij zijn schouder. ‘Je liep bijna tegen het schrikdraad! Gaat het wel goed met je?’ Ze keek haar man bezorgd aan. Diederik knipperde met zijn ogen. Het was even zwart voor zijn ogen geworden.
  ‘Ja hoor. Te lang bezig geweest met die rotheg. En het is zo warm,’ stamelde hij.
  ‘Warm? Het is eind september! Ik heb het ijskoud.’ Ze huiverde.
  ‘Dan moet je harder werken,’ plaagde hij.
  ‘Wat een grappige man ben je toch,’ zei ze spottend, maar ze glimlachte. ‘Ik laat het diner opdienen. Kom je zo ook?’
  Toen zijn vrouw veilig in het huis was durfde Diederik de theekoepel te benaderen, alsof het een gevaarlijk beest was. Toen ze het landgoed kochten was hij meer bezig geweest met de inspectie van het huis dan met de staat van de tuin, die vanouds Mariannes territorium was. Toen zijn vrouw die ochtend met een gelukkige glimlach door de serredeuren kwam, dacht hij opgelucht dat hij zich over de tuin geen zorgen hoefde te maken. Een maand later waren ze verhuisd.
  Diederik stond voor de theekoepel en omklemde zijn heggenschaar. De deur zat op slot. Hij ging op zijn tenen staan en gluurde naar binnen. Niets bijzonders. Een tafel en twee stoelen. Wat dorre bladeren op de vloer. De spiegel tegen de wand was wonderlijk. Welke ijdeltuit hing nou een spiegel in een theekoepel? Diederik omklemde de heggenschaar zo krachtig dat zijn knokkels wit werden. Toen hij zich naar voren boog viel hem nog iets raars op. In een duistere hoek vertoonde de houten vloer een opvallende verkleuring. Diederik drukte zijn neus tegen het glas. Geen twijfel mogelijk. Er zat een luik in de vloer.
  De por in zijn ribben liet zijn hart twee slagen overslaan.
  ‘Schrok je?’ Marianne schaterde het uit. ‘Je lijkt wel een gluurder!’
  ‘Verdomme, wil je dat nooit meer doen?’ snauwde Diederik. Mariannes gevoelige gezicht vertrok.
  ‘Ik heb onze nieuwe buurman uitgenodigd voor het diner.’ Ze keek misprijzend naar zijn kleren. ‘Kleed je je even om, schat?’

‘Dat was een voortreffelijk diner, mevrouw. Mijn complimenten.’ De stem van Elout van Soeterwoude liet de ruiten van de serre trillen. Marianne glimlachte, Diederik schrok op – de gedachte aan het mysterieuze luik had hem niet losgelaten. Vanuit de serre keek hij uit op de theekoepel, die hem toe leek te grijnzen. Van Soeterwoude volgde zijn blik en keek hen met milde spot aan.
  ‘Wist u dat men alleen in Nederland theekoepels heeft gebouwd? Een bijgebouw om alleen thee in te drinken? Belachelijk natuurlijk.’ De buurman nam een flinke slok wijn.
  ‘Wij zijn erg trots op onze theekoepel,’ stoof Marianne verontwaardigd op.
  ‘Ik plaag u maar,’ lachte Van Soeterwoude. ‘U heeft een uniek exemplaar. Eén van de oudste in deze contreien.’ Marianne trok haar wenkbrauw op. ‘Sinds mijn pensionering bestudeer ik de lokale geschiedenis,’ legde Van Soeterwoude uit.
  ‘Wat weet u over de historie van dit landgoed?’ vroeg Diederik. ‘De makelaar ontweek mijn vragen.’
  ‘Dat was niet zo fraai van hem,’ gromde Van Soeterwoude. ‘De geschiedenis van een huis dient bekend te zijn voordat het verkocht wordt.’ Van Soeterwoude leegde zijn glas en Diederik schonk hem eigenhandig bij.
‘Het huis is gebouwd in de 17e eeuw, maar de geschiedenis van dit landgoed gaat verder terug. Op de plaats van uw huidige theekoepel heeft een kapel gestaan die veel ouder was. De gravin d’Aubremé liet de kapel afbreken om een theekoepel neer te zetten, een schandaal dat nogal wat kwaad bloed zette. Naar verluidt ontving zij talloze minnaars in haar theekoepel. Tijdens de Bataafse Revolutie greep het gepeupel zijn kans, plunderde het landgoed en hing de gravin op. Aan die eik daar.’ Van Soeterwoude wees door de serredeuren.
  ‘Wat gewelddadig allemaal.’ Marianne was bleek geworden.
  ‘Geschiedenis is de opsomming van gewelddadigheden, mevrouw. De vorige bewoner heeft hier heel gelukkig gewoond.’ Van Soeterwoude sloeg snel zijn ogen neer. Diederik dacht verontrust dat zijn buurman loog.

Na het diner was Marianne vroeg naar bed gegaan. Diederik dronk een borrel en staarde naar de theekoepel. Het ding bespotte hem. Wat weerhield hem om dat luik te openen? Hij kon tenslotte zijn eigen lafheid niet langer verdragen. Hij goot zijn whisky naar binnen, greep zijn sleutelbos en een zaklamp en gooide de serredeuren open. Een koude wind blies hem in zijn gezicht en hij huiverde, maar stapte manmoedig de duistere tuin in. Het was doodstil. Vreemd, hoe alles anders leek in het maanlicht. Diederik keek verbijsterd om zich heen. De treurwilg trachtte zijn verdronken geliefde te vinden. De zilverberken roddelden met elkaar over de menselijke indringer. De vijver was een oneindig diepe poel, die talloze geheimen verborg. De liguster leek een wanstaltig dier dat klaar stond om hem te bespringen, totdat hij zenuwachtig de struik bescheen.
  Diederik beende haastig naar de theekoepel, maar struikelde over een border en viel languit voorover. De zaklamp viel op de tegels en ging uit. Even voelde Diederik een steek van angst, maar begon toen op zijn knieën rond te tasten en voelde uiteindelijk het staal van de zaklamp. Hij knipte hem weer aan en de lichtbundel viel op de oeroude eik die vlak voor hem stond. In een flits dacht hij een lijk in een strop aan één van de takken te zien bungelen, totdat hij met zijn ogen knipperde. Hij wist een schreeuw te onderdrukken.
‘Het komt allemaal door Van Soeterwoude met zijn verhalen,’ mompelde hij. ‘Ik lijk wel gek geworden.’ Hij keek verlangend achterom naar het huis, maar rechtte toen zijn schouders en zette door.
  De tuin hield haar adem in toen hij aan de deur van de theekoepel morrelde. Zijn handen trilden. Pas na enkele minuten geklungel kreeg hij de deur van slot. Piepend zwaaide de deur open en een muffe geur drong in zijn neus. Een duister figuur maakte een heimelijke beweging, achter in het vertrek.
  ‘Wie is daar?’ Geen antwoord. Het licht van zijn zaklamp priemde door de duisternis en hij liet een trillende zucht ontsnappen.
  ‘Ik schrik van mijn eigen spiegelbeeld!’ Zijn hart begon geleidelijk minder waanzinnig te kloppen. Hij liep naar het luik, trok het open en haalde opgelucht adem.
  ‘Verroest tuingereedschap en zakken potgrond,’ giechelde hij. ‘Geen verborgen crypte. Het mysterie is opgelost.’ Hij gooide het luik dicht, draaide zich om en wilde door de deuropening de tuin instappen, toen hem iets merkwaardigs opviel. Iets dat hem de adem benam.
Er stond iemand onder de eik.
Diederik deed zijn ogen dicht, in de hoop dat het spookbeeld zou verdwijnen. Twee hartslagen later sperde hij zijn ogen wijd open, doodsbang dat ijskoude handen hem bij de keel zouden grijpen. Het maanlicht onthulde een vrouw, gekleed in een ouderwetse jurk, die van de eik langzaam naar de theekoepel schuifelde.
‘Wat doet u in onze tuin?’ schreeuwde Diederik. De vrouw zweeg. Bladeren knisperden onder haar voeten terwijl de vrouw gestaag de theekoepel naderde. Diederik merkte dat hij zich niet kon verroeren. Vlak voor Diederik keek ze op. Hij staarde in een rottend gezicht met geheel witte ogen en hij rook de geur van de dood, die naar hem toe walmde.
Ze grijnsde.
Diederik voelde een drukkende pijn in zijn borst en de zaklamp gleed uit zijn vingers. Hij viel op zijn knieën, maar kon zijn blik niet van de ondode bezoekster afwenden. Zijn hartslag stokte en Diederik stierf.
De gravin d’Aubremé betrad haar theekoepel en bewonderde haar spiegelbeeld, sinds eeuwen tevergeefs wachtend op haar minnaars.

Patrick Brannigan (1971) was matroos op de wilde vaart, soldaat der eerste klasse en ober op het zonnige Lefkas. In 1998 studeerde hij af als historisch letterkundige aan de Universiteit van Amsterdam. Patrick ging daarna lange tijd op safari in Afrika. In 2006 schreef hij een vertaling van de avonturen van een 17e-eeuwse VOC-matroos. Sinds enkele jaren richt hij zich op de genreliteratuur, doet actief mee aan verhalenwedstrijden en zit in de redactie van Pure Fantasy Magazine. In 2011 won hij de NCSF-prijs én de Unleash Award.
Patrick woont vlakbij Amsterdam met zijn vrouw en kinderen. Hij staart af en toe in een kampvuur onder invloed van allerhande hallucinogenen en werkt ondertussen stug door aan zijn meesterwerk, dat ongetwijfeld de gehele wereld zal veranderen.

Heb je ook een kort griezel/horrorverhaal geschreven? Stuur hem in!

Meld je aan op onze weekendnieuwsbrief
Krijg elk weekend een overzicht van het laatste horrornieuws!
Je kunt je elk moment afmelden