Film & TV | Games | Boeken & Comics

Verhaal: Bloedvlekken (Anthonie Holslag)

een bloedovergoten dageraadOndoden. Spinnen. Een bungalow in de mist, bloedsporen die niet kunnen verdwijnen, meisjes in rode jassen en een dageraad, een bloedovergoten dageraad waar een zoon naar zijn moeder zoekt… En waar niets meer hetzelfde zal zijn…
Een Bloedovergoten Dageraad is de nieuwe verhalenbundel van Anthonie Holslag en is sinds vandaag te verkrijgen. Eén van die verhalen mochten wij hier op De Nachtvlinders publiceren.

Bloedvlekken

Overal waar hij rende, liet hij strepen achter. Hij rende door straten die hij van kinds af aan kende, maar die hem nu onbekend en zelfs ongewoon overkwamen. Wat was er gebeurd? Wat was hem daar drie straten terug overkomen? Hij probeerde zich het voorval voor de geest te halen, maar het enige dat hij zag – en niet eens vanuit zijn eigen perspectief maar van ver, alsof hij zichzelf van een afstand gadesloeg – was hoe hij naar huis strompelde en daar op het Max Euweplein per ongeluk tegen iemand opliep. Het stelde niets voor. Maar misschien kwam het door de alcohol, het kwam ongetwijfeld door de alcohol, of omdat de wegen en straten door sneeuw en ijzel glad waren, waardoor ieder duwtje, hoe onbedoeld ook, een glijpartij veroorzaakte, waarbij hij de andere persoon zonder aanleiding keihard terugduwde.

Hij had geen zin in gezeik. Vooral vanavond niet. Juist vanavond stond zijn hoofd niet naar ruzie of zelfs interactie. Het was een van die dagen, waarvoor zijn moeder hem altijd had gewaarschuwd. Een van de dagen dat je eigenlijk in bed had moeten blijven en de dekens over je hoofd had moeten trekken.

Een van de dagen waarin je niet bestond.

Het begon eigenlijk die ochtend al, toen hij niet genoeg geld bijeen kon scharrelen om zijn zakenpartner te betalen. Hoewel “zakenpartner” misschien een te groot woord was. De-individuele-bank-van-lening was misschien een betere benaming. Hij had minder salaris gekregen dan verwacht. Vervolgens was hij tot de ontdekking gekomen, terwijl de vrouw die hij niet kende haar spullen bij elkaar graaide en maar bleef zeuren over het feit dat ze haar onderbroekje niet kon vinden, dat hij werkelijk geen druppel alcohol in huis had. Niets om de kater mee te stillen. Niets om het gekwetter van dat mens op de achtergrond te drukken. ‘Ik heb het niet,’ had hij gesnauwd. ‘Ik heb het niet in mijn bilnaad gestoken.’ Vervolgens was hij naar de keuken gelopen, waar hij de laden doorzocht naar tabak en wiet. Meestal hield hij wel voorraad achter, maar dit keer niet.

‘Het was een roze onderbroekje,’ zei de vrouw, terwijl ze daar nog steeds met haar tas en jurk in de huiskamer stond. Ze was mooi. Geen twijfel mogelijk. Als hij een poëet was geweest, had hij haar haren zelfs als “goud” omschreven, maar hij was geen poëet, had zelfs een hekel aan poëzie – woorden voor mietjes, noemde hij het – en haar piepende stem begon hem te irriteren, dus wierp hij haar een boze wat-kan-mij-het-verdomme-blik toe.

‘Waar heb je het voor laatst gezien?’ vroeg hij, terwijl hij door de lade graaide en een verkreukeld pakje sigaretten vond. Hij pakte de enige sigaret uit het pakje, verfrommelde het en gooide het achter hem op de grond.

Door de nicotine kon hij weer denken. Zag hij flitsen van de avond daarvoor in zijn hoofd opdoemen. En wist hij dat ze elkaar in een portiek hadden gezoend.

‘Heb ik je broekje niet buiten uit getrokken?’

Hier moest ze even over nadenken en terwijl ze dit deed, keek ze naar boven en zag hij kuiltjes in haar wangen verschijnen, die hij in een betere bui zelfs “schattig” zou hebben omschreven.

‘Dat zou kunnen,’ zei ze. Met haar wijsvinger onder haar kin en die slappe jurk over haar arm. In het vroege ochtendlicht hingen haar tieten en waren haar tepels donkerroze. ‘Ik meen me zoiets te herinneren,’ voegde ze eraan toe. Op dat moment zag hij iets in de tas die aan haar arm bungelde. Hij lachte. Misschien was de ochtend toch niet zo verloren als hij in eerste instantie had gedacht. Hij was naar haar toe geschuifeld met zijn brede ik-vind-je-leuk-grijns op zijn gezicht, die hem een beetje op de jongere Jack Nicholson deed lijken. Een “duivelse grijns” noemde hij het. De vrouwen vonden het leuk.

‘Ja, ik denk dat ik het buiten van je lijf heb gerukt.’

Ze moest hierdoor giechelen.

‘Je mooie lijf,’ voegde hij eraan toe. ‘Ik denk dat ik mezelf niet kon bedwingen. Ik herinner me zelfs dat ik al buiten bij je naar binnen drong.’

Ze werd rood. Geil. Hij zag het aan haar ogen, de rode blos op haar wangen. Hij had dit spel te vaak gespeeld. Nog voordat hij haar zoende, had hij zijn hand al in haar tas gestoken en het potje met pillen gepakt. Xanax, zag hij, terwijl hij het potje achter zich in de lucht hield. En de zuivere merknaam Roche. Het kon niet beter. Dit was beter dan drie glazen alcohol, koffie of sigaretten bij elkaar.

Toen had hij gedacht dat zijn dag nog goed zou komen. Toen was hij nog niet tegen de jongen op het Max Euweplein opgebotst.

Lees verder op pagina 2 van 6