Voorwoord

Wat is horror? Een vraag die ik me bij elke film, boek, series of ander Nachtvlinders-materiaal probeer te stellen. Of eigenlijk de vraag waarom De Nachtvlinders is ontstaan. Met de stelling “Gaat het om een rennende/vluchtende vrouw? Dan is het een thriller” kom je er niet. Als iets een thriller is, kan het ook nog altijd horror zijn. Het gaat om het monster, schreef Jack Lance al eens.

Horror is ook een afspiegeling van wat er in de wereld gebeurt. Zombies zijn populair is economisch slechte tijden, vampiers in juist goede tijden. Het gaat nog veel verder zo leerde ik op een lezing van Anthonie Holslag tijdens Imagicon 2015. Bram Stokers Dracula is ontstaan in een tijd waar het seksueel overdraagbare syfillis vrolijk rondwaarde, de angst voor ‘besmet bloed’ in combinatie met een aantrekkelijke graaf zie je hierin terug. Mary Shelly schreef Frankenstein ten tijde van de industriële revolutie, Prometheus is daar het product van. Natuurlijk hadden beiden nog tig andere inspiratiebronnen, de tijd waarin de verhalen worden geschreven zijn een belangrijk ingrediënt.

Anthonie Holslag heeft een duidelijk gevoel voor horror en de tijdsgeest. In de zomer van 2016 gaf ik hem drie woorden (BBQ, SCHOENVETER en SLECHT WEER) en hij vormde het tot het onderstaande feuilleton, de komende twee zondagen lees je het vervolg. Niets is zo veranderlijk als het weer, dit verhaal trekt door naar een actueler thema en mixt het met een vorm van horror dat mij aan Clive Barker doet denken.

Horror is een onderdeel van het fantastische genre. We weten allemaal dat het maar verhalen zijn, toch doen we alsof het echt is om lekker te kunnen gruwelen. Maar we doen het ook om even van de realiteit te kunnen ontsnappen. Wat nu als het verhaal door de realiteit wordt ingehaald? Beoordeel zelf.

Veel plezier met Stortvloed, vandaag deel 1 en lees de komende twee weken verder.
– Frank van de Nachtvlinders

Stortvloed: deel 1 (Anthonie Holslag, 2016)

Tim Robbins had een hekel aan barbecues. Hij had een hekel aan die gedwongen gezelligheid, keuvelend over voetbal en honkbal, biertje in de hand terwijl er achteloos een biefstuk op de grill werd gegooid, en de vrouwen in de keuken de aardappelsalade aan het klaarmaken waren. En toch, iedere zomer weer, leek zijn straat door een soort collectieve waanzin gegrepen en vond hij zichzelf opnieuw in de tuin van de buurman met een biertje in zijn hand.

Alle witte huizen in de wijk leken op elkaar. Witte balkons. Zwarte daken. Houtrot hier en daar. Maar nog staand. De mensen leken op elkaar, bedacht hij zich. En hij kon ze allemaal nog persoonlijk van Highschool herinneren. Alleen Walter was nieuw. Hij kwam van Michigan, niet uit Wisconsin, zoals zij allemaal deden. Hij had een ook licht accent, waardoor hij er nooit echt bij hoorde, maar ze hem wel accepteerden. Met name omdat hij blank was, bedacht Tim zich, terwijl een of andere buurvrouw – ze ging zo snel alle legen borden af dat hij haar niet eens kon herkennen – een worst op zijn plastieken bord deed. Een andere ergernis van barbecues. Plastieken vorken. Plastieken messen, die nooit goed sneden. En plastieken borden die altijd bogen, waardoor je altijd balancerend naar een tafel moest bewegen.

‘Het is heet vandaag,’ zei Walter, waarschijnlijk om vriendelijk te zijn. Hij zwaaide met zijn cowboyhoed en keek op naar de strakblauwe lucht. ‘Geen zuchtje wind,’ voegde hij eraan toe. ‘Toch gaat het regenen.’
‘Hoezo?’ vroeg Tim, nauwelijks geïnteresseerd. Zijn vork was gedeeltelijk afgebroken. Een klein wit stuk plastiek stak nu in het vlees.
‘Kijk daar maar in de verte.’
Tim draaide zich om en zag in de verte hoe donkere wolken zich samenpakten. Er was iets vreemds met deze donkere lucht. Hij kon zijn vinger er niet op leggen. Het was alsof het een rode gloed had.
‘Het waait wel over,’ zei hij.
Walter lachte. ‘Waarom ben je daar zo zeker van?’
Tim nam een hap van zijn worst. Het smaakte naar houtskool, en was wat uitgedroogd, maar niet slecht. ‘Ik woon al mijn hele leven in Wisconsin. Slecht weer waait hier altijd over. De zomers zijn snikheet.’

‘Dat kan ik beamen.’ Dat was de stem van William. De buurman die ieder jaar de barbecue organiseerde. Die de collectieve waanzin op gang bracht. Tim wist alles over William. Net zoals William alles over hem wist. Typische middenklassers, bedacht hij zich weleens, die met moeite de recessie hadden overleefd. Hoewel William er, in tegenstelling tot anderen in de straat, goed doorheen was gekomen. Hij werkte bij een bank, had zijn geld veiliggesteld in wat nu geëtaleerd op de oprit stond: een gloednieuwe auto, terwijl velen in de straat hun auto hadden moeten verkopen of nauwelijks konden vervangen. Tim wist dat zijn huwelijk bijna op instorten had gestaan, dat zijn schoonzus haar heil in de grote stad had gezocht en daar aan een naald was overleden. Dat vertelde je uiteraard niet aan een buitenstaander als Walter. Maar de economische teloorgang en de teleurstellingen die daarmee gepaard ging, waren nog steeds voelbaar, ook leek de storm – net zoals de storm in de verte – geweken. Tim keek nogmaals naar de donkere wolken in de verte. Hij huiverde ondanks de hitte.

William keek naar de schuur. Een klein gebouwtje, waarvan de witte verf afbladderde, dat op ongeveer acht meter van Tims huis vandaan stond.
‘Ik dacht dat je het zou afbreken,’ zei William en even had Tim de neiging om William een klap op zijn smoel te geven. Daarvoor in de plaats zei hij: ‘Vlees is weer lekker, zoals altijd.’
‘Ik bedoel, na alles wat er gebeurd is …’
Tim opende zijn mond om iets te zeggen. Maar sloot hem weer. Walter stond naast hen. Hij wilde bijna zeggen: ja, en iedereen weet dat jouw vrouw, met iedereen en alleman naar bed gaat. En dat het jou geen ruk interesseert. We weten ook dat je hier bijna als een politieagent optreedt. Je rijdt de straten door en als iemand ook maar een bordje van Clinton in hun tuin hebben staan, schrijf je dreigbrieven. Ondertekend met “Make America Great Again, stem op Trump”. Iedereen weet dat en toch staan we verdomme in je tuin worst te eten.

Dat was misschien wel het ergste, dacht hij, die teleurstelling. Hij herinnerde zich de euforie nog toen Obama werd gekozen. “Yes, we can.” De klap was toen al geweest, maar om een of andere reden had iedereen het gevoel dat ze het makkelijk te boven zouden komen.
Zo makkelijk zou het niet zijn. Niet voor mensen zoals hij tenminste. Misschien wel voor mensen als William, die een groot Trump-bord in zijn tuin had gezet.
En hij begreep het enigszins wel. Ook al beangstigde de tyfoon hem en vertelde zijn buikgevoel hem dat de man niet te vertrouwen was. Hij begreep het wel. Als de teleurstellingen zich opstapelden, wordt het moeilijk te dragen. Er heerste woede onder de bevolking. Een teleurstelling naar Washington toe die de tij niet had kunnen keren voor politieke motieven. En die woede was rood.
Het was alleen of mensen niet leken te beseffen dat de oranje vos, zoals hij Trump voorstelde, niet veel anders was.

‘Wat is er dan met de schuur?’ vroeg Walter, geheel blind voor de non-verbale interactie die zich plaats vond. Tim wist dat William dacht dat hij ook met zijn vrouw had gerommeld. Hij had de kans gehad. Meerdere keren zelfs. Maar had het niet gedaan.
‘Niets,’ zei Tim bruusk. ‘Het is een oud schuurtje dat aan vervanging toe is of iets dat gewoonweg gesloopt moet worden. Ik ben er nog niet over uit.’
Nu was het aan William om zijn mond open en dicht te doen en zijn woorden in te slikken. Je zag hem denken: “Slopen. Je moet dingen vernietigen om vooruit te komen.” Hij had tientallen mensen ontslagen, zo had Tim gehoord. Hij had hypotheken van mensen afgenomen. De man die voor hem stond, de man met het bordje Trump in de tuin, en een glinsterende auto, had tientallen mensen dakloos gemaakt.

‘Wacht even,’ hoorden ze plotseling iemand boven het lawaai van het geklets om hen heen zeggen. Het werd stil. Iedereen keerde zich naar Brad toe, die zijn stem had verheft. Hij hield een transistor radio in zijn hand en drukte de luidspeaker tegen zijn oor.
‘Ik hoor geen muziek meer,’ zei hij. En hij had gelijk. Nu Tim erover nadacht, had hij al aantal minuten geen muziek meer gehoord. Er kwam slechts ruis uit de radio. Brad bewoog de antenne de ene kant op en toen de andere kant op, maar ze hoorden niets meer dan dezelfde ruis van een lege ether.
‘Dat is vreemd,’ hoorde hij iemand mompelen.
‘Denk je dat het door de aankomende storm komt?’ vroeg iemand anders.
Tim keek weer naar de wolken. Ze hingen nog steeds boven de bergen. En ze hadden nog steeds die vreemde rode gloed.
‘Die stormen waaien altijd over,’ zei iemand anders.
Maar nu Tim goed naar de donkere wolken keek, vroeg hij het zich af.

‘De televisie doet het ook al niet meer,’ zei iemand anders ergens in het huis van William. ‘Ik zie alleen maar sneeuw op het scherm.’
Plotseling werd het stil. Bedrukkend stil. Iedereen keek elkaar aan. Het was alsof niemand iets durfde te zeggen.
Toen, uiteindelijk: ‘Schakel door naar de andere kanalen.’
‘Dat doe ik, maar het is nog steeds ruis.’
Bijna iedereen keek tegelijk naar de donkere wolken. Maar het leken meer dan wolken. Het leek wel alsof er iets in de wolken bewoog.
‘Het moet de storm zijn,’ zei Walter.
‘Dat denk ik ook,’ voegde iemand anders eraan toe.
‘Wat het ook is,’ zei een vrouw, ‘die wolken geven me de kriebels.’
Dat is het juiste woord, bedacht Tim zich. Kriebels. Die wolken gaven je de kriebels. Zoals die Trump-borden hem de kriebels gaven.

Iemand achter hem gooide nog een biefstuk op de grill. Hij hoorde het vlees sissen. Rook hoe het schroeide. En zijn maag kwam op een vreemde manier in opstand. Het deed hem denken aan wat hij zojuist tegen William had gezegd: “Het vlees is weer lekker.”
‘Misschien moeten we daar even naartoe gaan.’ Het was Walter die het zei.
Tim keek hem haast beschuldigend aan.
‘Wat?’ zei Walter verdedigend. ‘Het is niet meer dan 7 kilometer. Dan kunnen we tenminste zien hoe zwaar de storm is.’
De kinderen hadden zich inmiddels ook al in de tuin gemengd.
‘Ik moet toegeven,’ zei William, tot grote ergernis van Tim, ‘dat het geen slecht idee is. Ik moet bij de barbecue blijven, maar misschien zijn er mensen die willen kijken wat er aan de hand is.’
Typisch, dacht Tim. Laat anderen het vuile werk opknappen.
Een aantal mensen gavenf zich onmiddellijk op. Onder wie Walter natuurlijk. Tim wilde niet, maar zijn dochters trokken meteen aan zijn armen.
‘Zullen we ook kijken, papa. Zullen we ook kijken?’
Achter zich hoorde hij William zeggen: ‘Ja, waarom ga je niet kijken, Tim. Ik blijf wel bij je vrouw.’
Hij keek zijn dochters aan. Veertien en vijftien. Hij keek zijn vrouw aan, die tijdens de recessie zwaar overspannen was geweest, maar – ondanks de gebeurtenissen in de schuur – erbovenop was gekomen. Ze knikte. Alsof het om een uitje naar een meer ging.
‘Oké,’ zei hij. ‘Oké, oké, oké.’

Terwijl hij naar zijn pick-up liep – die net wit was als zijn huis en ook gaten had – liep Walter naar zijn auto. Iemand anders , Tim kon niet zo snel zien wie, weer naar de zijne en deze nam ook zijn kinderen mee. Dit was ook een welgesteld iemand, want de auto was gloednieuw. Hij leek wel de enige wiens pick-up roestplekken had. Zijn dochters stapten in en terwijl de andere auto’s vertrokken, keek hij naar de schuur.
Ik had je inderdaad moeten afbreken, dacht hij. Misschien was alles dan anders geweest.

© Anthonie Holslag
Lees verder: Stortvloed: deel 2

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Please enter your comment!
Please enter your name here