Horrorverhaal Stortvloed (Anthonie Holslag)

Stortvloed: deel 2 (Anthonie Holslag, 2016)

De ironie was, dat de hele gebeurtenis niet eens tot hem was doorgedrongen, zelfs niet toen de ambulances waren gekomen, zij hun verklaringen aan de politie hadden gegeven en hun dochters in de keuken geknuffeld hadden. Het was allemaal zo onwerkelijk, zo onrealistisch, dat het niet doordrong. Alsof er een muur in zijn hersenpan zat die de feiten en beelden die hij had gezien, maar niet wilde laten doorbreken – alsof hij een cocon om het hele gebeuren had gesponnen.
Zo voelde het ook. Het was geen onderdeel van hun leven. Het was iets wat een ander overkomen was.

Het begon toen Robert, de broer van zijn vrouw zijn huis verloor, en kort daarna zijn vrouw en kinderen. De recessie had hem keihard getroffen, net zoals het zijn zuster hard had getroffen (met meer dan 70% andere Amerikanen). Zij had haar heil in Los Angeles gevonden en was daar in de menigte verdwenen. Zijn vrouw had haar tientallen keren proberen te bellen. Totdat ze begin deze zomer het bericht van haar overdosis kregen. Een klap voor zijn vrouw die toch al mentaal wankelend was door de gebeurtenissen van haar broer. De fabriek waar haar broer al zeventien jaar werkte, had hem van de een op de andere dag ontslagen. Zonder zelfs maar een bedankje. Zijn baas had hem niet eens de hand geschud.

En daar stond hij dan. In Pennsylvania, in een klein plaatsje waar het werk niet voor het oprapen lag en waar hij iedere dag op de een na de andere baan solliciteerde, met steeds weer hetzelfde antwoord: “ongeschikt”, “te weinig ervaring” of “ervaring is te specifiek”. Tim vond het niet vreemd dat hij in een depressie raakte. Als man had je toch het oerinstinct om je gezin te onderhouden. Om ervoor te zorgen dat er brood op de plank kwam. En toen kwamen uiteraard de grote problemen, die niet lang op zich lieten wachten. Eerst konden ze de televisie- en telefoonrekeningen niet meer betalen. Toen de energierekening niet meer. En toen, als een soort klap op de vuurpijl, maar onontkoombaar, de hypotheek. Het was ongelooflijk hoe snel de bank zich het huis toe-eigende. (William zou het ook zo snel hebben gedaan; ongetwijfeld om zijn auto te kopen.) Robert wist nog een flatje te vinden. Of tenminste, een motel-in. Ze zochten beiden naar werk en hun zoon was naar een goedkopere school gegaan. Heel even leek het erop dat de zaken zich stabiliseerden, maar uiteindelijk stortte het toch allemaal in elkaar. De klap kwam toen zijn vrouw hem vertelde dat ze niet ’s avonds in een restaurant werkte, maar bij een man in een hotelkamer kwam en dat ze had besloten om van hem te scheiden. Achteraf gezien, dacht Tim, dat dit de genadeslag was geweest voor de dingen die zouden komen. Het zou nog maanden duren. Maar soms kwam de klap en voelde je het effect later.

Hij sloot zijn gordijnen, kwam zijn bed niet meer uit. Hoorde hoe zijn zoon nu met zijn nieuwe vader, in een nieuwe Mercedes naar de andere kant van de Staat verhuisde, en voelde – zo nam Tim aan tenminste – een soort apathie. Een apathie die hij waarschijnlijk ook gevoeld zou hebben als hij in een soortgelijke situatie zat. Het duurde dan ook niet lang voordat Robert zijn kamer moest verlaten en bij zijn zus aan de deur klopte. En zo kwam Robert in Wisconsin aan. Met een supermarktzak met kleren. Voor de rest niets.

Het was een vernedering, dat was duidelijk. Of tenminste, zo ervoer Robert het. Tim herinnerde zich nog steeds hoe hij voor de deur stond. Met hangend hoofd, waarop een pet lag die doorweekt was en de regen van die avond in stralen naar beneden liet stromen. Hier stond Robert voor het huis van zijn zwager die hij nooit echt als een broer had kunnen zien.

In het begin deed Robert zijn best. Hij vermaakte Angelina en Annabel. Ging iedere dag trouw de krant af om naar banen te zoeken en had iedere avond, zo leek het wel, ruzie aan de telefoon. Hij wilde zijn zoon zien. Maar zij woonden nu in een andere Staat, waren gelukkig met de rijke man die hen door de storm loodste en uit wat Tim van de woorden kon opmaken, was de nieuwe man van zijn ex nogal behoorlijk dominant.

Het paste wel bij haar, dacht hij soms. De vrouw van zijn zwager was altijd een vrouw geweest die dacht dat een man een man moest zijn, en een vrouw een vrouw. Marie, Tims vrouw, had een heel andere inslag, Positiever. Als hij zijn baan kwijt was geraakt (wat gelukkig niet gebeurde, hoewel het een haar had gescheeld en zijn salaris achteruit ging, had William ongetwijfeld aan de deur geklopt om de hypotheek te incasseren) dan was hij er zeker van dat ze ook naar werk had gezocht. Ze werkte nu al een keer per week in een kinderopvangcentrum. Het was een schamel loontje, maar genoeg voor het zakcentje dat ze nodig hadden.

En toen kwam langzaam, na al die sollicitaties en tegenslagen, na al die telefoontjes, de depressie terug. Robert lag op de bank. Met zijn rug naar de huiskamer gekeerd. En Tim herinnerde zich de keren dat Marie op hem probeerde in te praten. Dat hij misschien met iemand moest praten. (Hoewel alles was wegvallen, had de president er wel voor gezorgd dat iedereen verzekerd was; een unicum in de Amerikaanse geschiedenis.) Robert luisterde echter niet meer. Marie had gesmeekt of Tim misschien iemand kende. Maar de enigen die hij kenden, waren dezelfde mensen als Robert, die vochten voor hun bestaansrecht en iedere maand hoopten dat ze de hypotheek konden betalen.

De implosie van de huizenmarkt had een domino-effect teweeggebracht, dat werkelijk ongekend was. (Behalve voor mensen als William, die het systeem begrepen en er juist aan verdienden.)
Het was achteraf niet zo vreemd wat er die zomer gebeurde. Ook al voelde het nog steeds onwerkelijk. Ook al voelde het nog steeds als een schim achter een beslagen raam.

Hij herinnerde dat hij in de keuken stond. Dat hij stond af te wassen. (Ze hadden hun vaatwasmachine en ook de droger verpacht.) Toen hij plotseling gegil hoorde en Annabel uit de schuur zag rennen. Haar jurk was verkreukeld. Haar ogen puilden bijna uit haar kassen. Maria, die buiten de was stond op te hangen, snelde naar haar toe, sloeg haar hand voor de mond en begon als een krankzinnige naar de schuur te wijzen. Achteraf was het verbazend hoe rustig hij was. Hij deed de kraan dicht, droogde zijn handen af en liep op een draf naar buiten. Hij zag zijn dochter. Ze huilde nu. Schreeuwde. En voordat hij ook maar iets hoefde te vragen wist hij al wat er aan de hand was. ‘Bel de politie,’ zei hij tegen zijn vrouw, terwijl hij naar de schuur liep. Hij voelde het gras langs zijn spijkerbroek schrapen. En hoewel hij zich bewust was van alles, voelde alles tegelijkertijd onwerkelijk aan. Hij deed de schuurdeur open en rook onmiddellijk de stank die hij als kind gewend was. Hij was een boerenjongen. Zijn vader had koeien gehad. En het kwam weleens voor dat er in de zomer, altijd in de zomer, een koe was gestorven en ergens achterin de schuur lag. De dood had een zeer specifieke geur, zo had hij geleerd. Een geur dat hem aan uitwerpselen deed denken, maar ook aan vlees; aan gassen die hij niet kon beschrijven, maar verstikkend waren, zodat de stank onmiddellijk de keel dichtkneep.

Daar hing hij dan. Zijn zwager. Hij had midden in de schuur schoenveters om een balk gebonden en was simpelweg van de overloop afgestapt. Een pijnlijke dood, zo zag Tim onmiddellijk. En hij voelde een steek van pijn dat Annabel dit had moeten zien. Dat had niet gemogen. Schoenveters waren niet de beste keuze en de overloop had niet genoeg kracht om de nek te breken. Daarvoor in de plaats hadden de schoenveters zich strak getrokken, zich in de nek gesneden, zo diep zelfs dat Tim zelfs van deze afstand de wervels van de nek in de bloederige wond kon herkennen. De lippen van Robert waren blauw. De ogen, nu rood doorlopen van het bloed, puilden zodanig uit de kassen dat het ballen leken die ieder moment uit de schedel konden ploppen. Aan de natte broek kon Tim zien dat Robert zowel zijn blaas als darmen had geleegd.

Hij liep naar buiten toe. Terug het hoge gras in. En nog steeds voelde hij niets. Hij zag Marie op haar afkomen, maar hij hield haar tegen. Hij zei de dingen die je hoorde te zeggen. Dat ze zich haar broer moest herinneren zoals hij was en niet zoals hij in de schuur hing. Ze luisterde naar hem en daar was hij haar dankbaar voor.

Maar nu hij naar die schuur keek, daar zittend in de auto, met zijn dochters achter hem en de donkere wolken in de verte, was hij er meer dan ooit van overtuigd dat ze de schuur hadden moeten afbreken. Al was het maar om een nieuwe start te maken. De schuur leek vervloekt. Eerst zijn zwager en toen zijn schoonzus. Want hoewel Marie het niet zei, wist hij dat ze iedere dag, als ze langs de schuur liep, aan haar broer en zus dacht.
Dat de schaduw van hun dood, maar ook de recessie, nog steeds over hen hing.
In zijn herinneringen zag hij zijn zwager opnieuw. Bungelend aan dat snijdende koord. Met een dikke bobbel in zijn broek.

‘Er rijden twee auto’s achter ons,’ zei Annabel. Soms vroeg hij zich af welke klap die gebeurtenis haar had gegeven. Ze had hetzelfde gezien als hij. Toch sprak ze er nooit over. Ze ging echter de schuur niet meer in. Hij keek in de achteruitkijkspiegel. De eerste auto was van Walter. Hij wist niet precies van wie de derde auto was, hij dacht dat van Ken was. Een rustige man, die voornamelijk met zijn gezin op zichzelf woonde, maar die net zoals William een bordje van Trump in zijn tuin had staan. En niet omdat hij een Republikein was. Hij kende Ken te goed. Het was omdat de recessie te lang duurde, en omdat de euforie en de woorden “yes, we can” een holle nasmaak hadden gekregen.

De lucht leek te rommelen en nu hij naar de lucht staarde, leken de wolken dichter. Net over de grens van de berg heen.
‘Wat is dat?’ vroeg Angelina.
En hij wilde zeggen: “Regen”, maar slikte zijn woorden in. Nog steeds had de lucht ie eigenaardige rode gloed, maar er was meer. Als hij naar de weg staarde, naar waar die aan de horizon leek te verdwijnen, kreeg hij de vreemde dat hij daar schaduwen, duizenden schaduwen, zag, allemaal rennend, maar bedekt door de regen die daar met bakken uit de lucht viel op hen af zag rennen.
‘Ik denk dat ik ongelijk had,’ zei hij maar.
‘Met wat?’
‘Dat deze storm overwaait.’

Ze reden sneller. Hij zag achter zich hoe Walter en Ken ook de snelheid opvoerden. Ze voelden hetzelfde, zagen hetzelfde. Hier klopte iets niet. In zijn achteruitkijkspiegel zag hij hoe de kinderen van Ken op de achterbank speelden. Bijna wilde hij stoppen en tegen Ken schreeuwen: “Rijd terug en waarschuw de anderen. Zeg dat ze zich in de kelder verstoppen moeten.” Maar dat zou krankzinnig zijn. Dus reed hij door.
Onderwijl was de regenstorm boven de rand van de berg gekomen en hij zag in de verte hoe poelen met water naar beneden kletterden. Boven hen was de lucht nog blauw, maar het zou nog vijf minuten duren, misschien minder dan dat, en dan was de storm ook hier. Tim remde en zette zijn auto schuin op de weg.

‘Blijf zitten,’ droeg hij zijn dochters op. Onderwijl drukte hij op de knoppen van de radio en hoorde alleen maar ruis. Achter hem waren Walter en Ken ook tot stilstand gekomen.
‘Ik ga even een kijkje nemen.’
Ook Walter stapte uit.
‘Jullie blijven hier,’ zei hij tegen zijn dochters. Toen hij de deur opendeed, viel het hem op hoe bedrukt de lucht was. Alsof de atmosfeer was samengeperst.
Walter was inmiddels naast hem komen staan. ‘Dit is vreemd,’ zei hij. ‘Ik heb nog nooit zo’n regenbui gezien.’ Achter hen stapte alleen Ken uit, maar bleven de kinderen in de auto zitten.Walter en William liepen naar voren en met iedere stap werd de lucht dikker en beklemmender en even had Tim weer het gevoel dat hij door het hoge gras liep, naar de deur van de schuur.

‘Wat is die rode kleur?’ vroeg Walter. En een deel van Tim was blij dat hij dit vroeg. Want hij dacht dat het zijn verbeelding was geweest. Dat de natuur hem gewoon parten speelde. Walter liep verder naar voren. En Tim zag dat de blauwe lucht en de donkere wolken elkaar bijna raakten.
‘Wat is dat?’ vroeg Walter en hij wees naar de gedaantes achter het gordijn van regen. Het leken er duizenden. Rennend. En nu het stil was, nu hij écht luisterde, kon hij ze ook horen. Duizenden gillende stemmen.
‘Ik weet het niet,’ wilde hij zeggen en deed automatisch een stap terug. Daar waar Walter stond, begon het te regenen. En ook Tim voelde de eerste spetters op zijn hoofd en handen vallen. Het was zuur. Het brandde. Een aantal gedachten schoten gelijktijdig door zijn hoofd. Ten eerste: dit was geen gewone regen. Hij keek naar zijn handen en zag hoe er schroeiplekken ontstonden. Maar dat was niet ergste. Oh nee. Het regende geen water, besefte hij, maar bloed. De hele weg was plotseling besmeurd met bloed en hij wist nu plotseling wie de gedaantes waren die op hem af kwamen rennen. Duizenden mensen, wier kledij en huid waren weggebrand. De regen, wist Tim meteen. De zure regen. Hij wreef over zijn handen, terwijl hij als gehypnotiseerd naar de naderende stroom mensen staarde. Rauw vlees en spierweefsel glansden in de vernietigende neerslag. Met grotesk maaiende bewegingen kwamen de mensen op hen af. Hun kreten waren allesdoordringend, zinderden in zijn botten. Hun ogen puilden uit, als ronde ballen die iedere moment uit de hoofden konden ploppen. Hun neuzen waren grote gaten in ontvelde gezichten.

Tim draaide zich kokhalzend om, en rende om de auto heen. Hij moest beschutting vinden, weg uit de regen. Op dat moment hoorde hij het verschrikkelijke gegil van Walter en voordat hij omkeek, wist hij wat er gebeurde als je midden in de regen bleef staan.
Het schraapte de kleren van je af. Het schraapte de huid van je af. Totdat slechts je spierweefsel overbleef en ogen, bange flitsende ogen, die zonder wenkbrauwen en wangen op ronde ballen leken die heen en weer rolden.
Dit was geen storm, besefte hij. Dit was geen regen. Het was de woede die hen allen opvrat. Die zich in regen manifesteerde. Die zich tot een soort metafysische uiting had gevormd, van waar het land nu was.
Niet “yes, we can”, maar meer “we cannot”.
Zijn zwager had het geweten. Dat teleurstelling en onzekerheid je uiteindelijk altijd zouden grijpen. Dat het je uiteindelijk altijd brak.

© Anthonie Holslag
Lees verder: Stortvloed: deel 3

En wat vind jij?

Uw e-mailadres wordt niet gepubliceerd.