Horrorverhaal Stortvloed (Anthonie Holslag)

Stortvloed: deel 3 (Anthonie Holslag, 2016)

Hij haastte zich de pick-up in, struikelde bijna over zijn eigen voeten. Met een klap trok hij het portier dicht. Voor hem zag hij de gedaante van Walter. Maar Walter was Walter niet meer. Hij was nog nauwelijks een mens te noemen. De regen had de huid letterlijk van zijn lichaam gevreten en wat daar stond, was een bloederig wezen, zonder haar en met uitpuilende ogen. De zure regen vrat echter niet door spierweefsel heen, waardoor Walter daar bleef staan en de blik in zijn ogen langzaam veranderde. Tim zag ze veranderen. Van verbazing, naar angst, naar volslagen waanzin en haat. Zo kon hij het het beste beschrijven. Alsof het zuur in zijn bloedbaan was gekomen en onmiddellijk zijn hersens had aangetast. De witte oogballen puilden nog verder uit. (En onbedoeld moest hij aan zijn zwager denken. Zijn zwager die daar met schoenveters aan de balk zwierde – heen en weer, heen en weer, heen en weer. Maar hij moest ook aan William denken die met aanmaningen en een glimlach aan deuren klopte.) De ogen richtten zich recht op hem. De kaken gingen open en dicht. De tanden glinsterden. En Tim besefte met een schok dat Walter niets wilde zeggen (zoiets van “ga weg, ga weg”, wat normale mensen zouden doen), maar dat hij honger had. Hij zag het in die ogen en op dat moment stampte hij het gaspedaal in.

Hoewel dit alles een half uur leek te duren, was het niet meer dan 5 seconden.
‘Houd je vast,’ schreeuwde hij tegen de meisjes, terwijl het bloed vanaf het voorraam naar beneden stroomden. Ook kletterden er druppels op het dak. In de verte zag hij Ken nog steeds schuin op de weg staan. Hij gaf gas, draaide zijn raam open en schreeuwde nog: ‘Ga weg, Ken. Ik weet niet wat dit is. Maar dit is niet goed. Ga weg.’
Maar Ken luisterde niet. Hij stond als versteend achter zijn open portier en terwijl Tim hem passeerde, stortte de rode regen naar beneden en hoorde hij hoe die de kleding en huid van Ken opvrat. En hoe de kinderen op de achterbank begonnen te schreeuwen. Snel deed hij de raam dicht. (Zijn dochters mochten dit niet horen.) En reed sneller en probeerde voor de regen uit te komen.

‘Papa,’ hoorde hij Annabel fluisteren.
‘Niet nu. We moeten ze daar bij de barbecue waarschuwen.’
‘Papa,’ er was iets in haar stem waardoor hij bijna op de rem drukte. ‘De regen komt door het dak heen.’

Hij keek over zijn linkerschouder. Naar zijn twee dochters die daar bang op de achterbank zaten. Ze hielden elkaars hand vast en keken angstig naar een scheur boven hen. Een scheur die groter en groter werd.
Het vrat door metaal. Oh mijn God, het vrat door metaal. Had hij maar zo’n auto als William en niet zo’n roestbak die hij nu had. Een regendruppel viel op de huid van Angeline. Ze schreeuwde. Ze probeerde de regen van haar af te vegen, waardoor ze het nog meer over haar arm smeerde en huid met zich meenam. ‘Papa, papa,’ ze huilde.
‘Niet aanraken,’ schreeuwde hij, terwijl hij nog meer gas gaf. ‘Niet aanraken. Probeer de regen te ontwijken.’
Maar de neerslag stroomde nu in stroompjes naar binnen, kletterde op de rand van de achterbank. Hij voelde druppels in zijn nek branden. Hij kon nauwelijks iets door zijn voorruit zien. Zijn dochters te huilen, steeds harder en angstiger. Hij keek nogmaals. Hij zag dat er meer gaten erbij waren gekomen. Het hele dak was inmiddels zo lek als een rietenmand. Zijn dochters rolden over de achterbank in een wanhopige poging de neerslag te ontwijken. Hij zag wonden op hun armen, hun benen. Bij Annabel zag hij twee rode gaten op haar gezicht.

Kan dat gehecht worden, vroeg hij zich af. Een krankzinnige gedachte. Kan dat nog gehecht worden. Kan het herstellen zodat mijn meisje weer net zo mooi is, zoals ze was? Onderwijl begon ook het dak boven hem te lekken. De regen druppelde op zijn benen. Hij rook een verschroeide spijkerbroek en vlees, en drukte het gaspedaal nog verder in.

Op hetzelfde moment veranderde het gekrijs van zijn dochters langzaam in gegrom. Hij wilde niet kijken. Net zoals hij destijds niet in de schuur wilde kijken. Heen en weer, heen en weer. Maar hij deed het toch. Wat hij zag, deed zijn adem stokken. Zijn dochters waren nog niet geheel door de regen verteerd, helemaal niet zelfs. Er waren schroeiplekken op hun armen, gezichten en benen. De plekken op hun armen en benen waren groot, waarschijnlijk omdat ze het onbedoeld uitgesmeerd hadden. De druppels op de gezichten klein. Maar dat was niet het verschrikkelijke. Niet hetgeen waardoor hij begon te gillen. Waar de wereld even leek samen te ballen en los te laten in een verschrikkelijke knal. Hij zag de waanzin in die ogen. Dezelfde waanzin die hij bij Walter had gezien. (En bij William, toen hij dat Trump-bordje in zijn tuin timmerde.) En in plaats zich tegen de regen te beschermen, vielen ze elkaar aan. Tim slingerde langs de weg. Hij zag hoe Annabel in het dijbeen van Angelina beet en hoe Angelina op haar beurt een stuk vlees, letterlijk een stuk vlees – het bloed spoot uit de wond, hij zag het spierweefsel scheuren – van de bovenarm van Annabel scheurde. Ze vochten niet met elkaar. Ze vraten elkaar op. Het zuur had hun hersens aangetast.

‘Rustig, meiden,’ hoorde hij zichzelf zeggen, alsof het niet een slachtpartij betrof, maar een ruzietje, zoals ze zo vaak als kinderen hadden gehad. ‘Ophouden. Luisteren naar je vader.’
Maar ze luisterden niet. Ze krasten, scheurden, beten en hij had moeite het stuur recht te houden.

Ook bij hem begonnen dingen in zijn hoofd los te komen. Beelden. Een brij met beelden. Waarvan hij niet begreep wat de samenhang was. Onderwijl druppelde het zuur niet alleen langer in zijn nek, maar straalde de regen naar binnen, waardoor het zuur als riviertjes onder zijn overhemd naar beneden stroomde en zowel het stof en huid oplosten. Hij had dit echter niet door. Hij had zijn dochters ook niet meer door. Ze lagen nu op elkaar. Annabel met haar tanden in de keel van Angelina, die op haar beurt het stuk vlees dat ze had losgescheurd in haar mond propte.

De schuur. Zijn vrouw. William. De bordjes in de tuin. Het vlees dat op kolen siste. Bier. Zijn vrouw die naar William keek. Het gelach heen en weer, heen en weer, heen en weer. Schoenen zonder schoenveters. Ogen die uit de kassen puilden. Een tong die blauw was en tegen een gele kin hing. Het glinsterende bot van een nekwervel.
Het passeerde zijn ogen.
‘Ze gaat vreemd,’ schreeuwde hij plotseling. En hij wist zelf niet waar de woorden vandaan kwamen. Hij wist niet eens of het woorden waren. Misschien hoorden zijn dochters alleen maar gegrom. ‘Ze gaat godverdomme vreemd.’

William die lachte. William met zijn auto. William die er door de hele crisis niet slechter op was geworden. Door hem was zijn zwager dood. Zijn schoonzus dood. Door hem had zijn zwager zichzelf verhangen. Door hem had Annabel en hij dat verschrikkelijke beeld gezien.
Hij zou ervoor boeten.

De gaten in het dak werden groter. Stromen regen vielen op zijn kruin, op zijn hoofd neer. Hij voelde het al niet meer. Voelde het niet toen zijn huid en zijn haren van zijn schedel gleden. Hij was ook niet verbaasd, toen hij achterom keek, dat zijn dochters bijna geen huid meer hadden en dat Angelina haar mooie bruine haren verloren had.

We hebben verloren, dacht hij. Misschien zijn laatste coherente gedachte. We hebben verloren omdat we niet meer geloven. Omdat we ons hoop kwijt zijn.
En zijn zwager had het geweten. Ze vochten zich door stormen heen, steeds en steeds weer, totdat de machine je opslokte, vermaalde en uitspuwde; de machine rookte en ronkte en leefde op het bloed en huid van de mensen die het opvrat.
En William zat aan het stuur.

Door het bloed op zijn voorruit zag hij iedereen nog in de tuin staan. De regen had hen nog niet bereikt. Ze stonden bij de barbecue. William had een vleesvork in de hand en wilde een biefstuk op de barbecue leggen. Hij wist zeker dat ze bang waren. Hij wist zeker dat ze naar de auto en de aankomende regenstorm keken. Met gapende opende monden. Niet wetend wat ze moesten doen.

Maar hij wist het wel. Oh ja, hij wist het. Hij zou uit zijn auto stappen. Hij zou op William aflopen. Hij zou touw pakken en hem naar de schuur slepen en hem verhangen, precies zoals zijn zwager had gedaan. Misschien zou hij het met schoenveters doen, zodat het diep in het vlees zou snijden en het een langzame en pijnlijke dood zou worden. En onderwijl zou hij aan de dijbeen en tenen knabbelen, totdat zijn honger was gestild.

En hij zou schreeuwen, oh ja, hij zou schreeuwen, terwijl hij een hap uit het dijbeen nam. Hij zou schreeuwen: ‘Het vlees is lekker. Oh ja, het vlees is lekker. Het is in tijden nog nooit zo lekker geweest.’

© Anthonie Holslag

En wat vind jij?

Uw e-mailadres wordt niet gepubliceerd.