Film & TV | Games | Boeken & Comics

Kort verhaal: Tot het bot (Anthonie Holslag)

Het was heerlijk. Jack had niet gedacht dat het zo lekker zou voelen. Hij had erover gedroomd natuurlijk. Al sinds zijn tienerjaren. Maar nu het zover was, kon hij zijn opwinding haast niet verbergen. Hij lag naakt op een koude, ijzeren tafel, onder een groen chirurgisch laken, en hield zijn ogen gesloten. In de verte hoorde hij iemand neuriën terwijl hij instrumenten schoonmaakte, en even, heel even, was hij terug in een van de vele keukens waar hij gewerkt had. Waar koks en bediendes langs je heen renden, vieze borden op een stapel gooiden en niet eens naar je keken. In gedachten stond hij weer achter de wastafel de borden schoon te spoelen. (Zoals de man bij de tafel nu zijn instrumenten schoonspoelde.) Hij herinnerde zich nog hoe het vuil van het bord weggespoten werd en dat hij toekeek hoe het draaiend in de afvoer verdween. Maar daar waren zijn gedachten niet. Daar waren zijn gedachten nooit sinds hij op die zomerse dag op het erf van zijn oom had gestaan en had toegekeken hoe de koeien geslacht werden en hem was opgevallen dat de geur van bloed zwaarder en dikker werd in het zomerse weer.

“Blijf jij maar hier staan,” had zijn oom gezegd, terwijl hij naar binnen was gegaan om ongetwijfeld een biertje te halen. Hij was in ieder geval niet meer teruggekomen. Hoewel hij toen veertien was, wist hij dat zijn oom een zuiplap was, die de koeien slachtte om het vlees door te verkopen. Zo kwamen ze de winter door. “Blijf maar kijken,” had zijn oom nog gezegd. “Daar word je een man van.”

Volgens zijn oom werd je een man van alle afgrijselijke dingen. Vechten. Drinken. Je vrouw slaan. Een man had volgens zijn oom een aangeboren autoriteit.

En hij had gekeken, maar was geen man geworden. Hij was eerder gefascineerd geraakt, hoe de slagers de koeien uit de schuur haalden, een ijzeren pin door de schedel dreven. Hoe ze de voorpoten afzaagden, de kop eraf zaagden en de beesten vervolgens ophingen – waardoor alle lichaamssappen en zelfs gras nog naar buiten sijpelden – ze ontvelden, en ze met een zaag door tweeën sneden. De geur van bloed was overweldigend geweest, maar ook fascinerend. Hij zag de binnenkant van het lichaam. Zag de ingewanden op de grond vallen en wist dat hij er vanbinnen ook zo uit moest zien. Zodra de zaag in het lichaam werd gezet, begonnen de afgezaagde poten nog te rennen, alsof de koe zich zonder haar kop nog steeds bewust was van haar lichaam. Het fascineerde hem. Het deed hem denken aan de gay-pornoboekjes die hij verborgen hield onder zijn matras in de slaapkamer. (Als zijn oom daarvan afwist, zou hij alle hoeken van de kamer zien, dus had hij voor de show maar pin-ups van Hustler aan de muur geprikt.)
Terwijl hij daar bij de afwastafel stond, in die hectische keuken waar hij onzichtbaar was, kon hij niets anders dan aan het halfverteerde gras denken. Aan de poten die renden. Aan de slager die zonder emotie achter zijn masker zijn werk deed. Als de beul die hij was. En dan rook hij weer het bloed, dik en zwaar, in de lucht.

Het kwam weleens voor dat hij, op de plek waar collega’s hun sigaretten rookten, zich snel en kundig aftrok, met deze beelden nog dansend in zijn hoofd. Vaak spoot hij zichzelf in zijn hand leeg, om zijn sperma later bij de wasbak van zijn hand weg te spoelen. Hij keek toe hoe het wittige slijmerige spul door de gootsteen werd opgeslurpt, en met de etensresten en het andere vuil verdween.

Het was een buitengewone ervaring geweest die middag vele jaren geleden. Een ervaring die hem voorgoed had veranderd. Die van hem, en misschien had zijn oom toch niet ongelijk gehad, de man had gemaakt die hij nu was.

‘Ik ben bijna klaar,’ hoorde hij de stem bij de wastafel zeggen. Ogen knipperend kwam hij terug in het heden. En weer hoorde hij metaal over metaal schuren. En hij kon zich achter zijn gesloten oogleden zich bijna voorstellen welke instrumenten het waren, hoe de man eruitzag.

Stiekem, tegen alle regels in, opende hij zijn ogen een klein beetje. De man stond met zijn rug naar hem toe en droeg een steriel groen doktersschort. Zelfs zijn handschoenen, die tot zijn ellebogen reikten, waren groen. Aan het elastiek dat om het achterhoofd van de man gespannen was, wist hij dat hij een mondkapje voorhad, en zijn opwinding nam toe. Hij vroeg zich bijna terloops af of de man zijn stijve, want hij lag naakt onder het groene laken, kon zien. Waarschijnlijk wel. Maar het deerde hem niet. Ook híj had ongetwijfeld een stijve. Dit wond hem ook op.

Wanneer was het vormeloze idee daadwerkelijk een plan geworden?
Hij wist het niet meer. Zijn fascinatie was begonnen bij de koeien. Dat beeld liet hem niet los. Vooral dat rennen van die afgestompte poten niet. Hij wist dat het een reflex was. Dat had hij ergens gelezen. Maar op die branderige middag had het op iets meer geleken. Had het erop geleken dat de beesten zich nog bewust waren van hun lichaam en dat ze het metaal in hun botten en huid voelden snijden, en juist die schemerzone – reflex of geen reflex – had zijn fascinatie gewekt. Hij had honderden boeken gelezen over comapatiënten die nog steeds alles hoorden en tegen alle medische wijsheid in ontwaakten. Of dat het lichaam en geest een geheel was, in plaats van twee gescheiden entiteiten (zoals vaak in de Westerse wereld werd gedacht) en dat het lichaam nog voortleefde, of nog belangrijker, vóélde, terwijl het officieel dood was.

Het was ergens rond deze periode dat zijn idee concreter werd. Dat hij op zoek ging naar een kompaan. Eerst deed hij dit voorzichtig in allerlei flora, fauna en chatrooms op het internet. Maar toen hij over het Deepweb hoorde en later de Darkweb, kwam hij in chatrooms waar mensen zijn fascinatie deelden. Het waren er meer dan hij had gedacht. Een woonde zelfs in zijn stad, en met deze man sprak hij af.

Het was een ongemakkelijke kennismaking; de spanning en de verwachting waren van bij het begin tastbaar geweest.
‘We moeten dit wel goed aanpakken,’ zei de man.
‘Dat begrijp ik. Je vertelde me dat je het vaker had gedaan.’
De man knikte. ‘Desondanks heb ik een schriftelijke consensus nodig. Ze hebben me nog niet gepakt. Maar ik neem geen cliënten aan die geen schriftelijk consensus ondertekenen.’
Hij knikte. Wat kon hij anders doen? Hij wilde dit zo graag. Hij las het contract door. Zette de juiste paragrafen en handtekeningen en gaf het papier terug. ‘Wanneer wil je het doen?’
De man aan de tafel zei: ‘Zo snel mogelijk. Ik heb te vaak meegemaakt dat mensen toch afhaken, en dat kan voor mij gevaarlijk zijn. Zaterdag?’
‘Nee, zaterdag kan ik niet. Moet ik werken.’ Alsof dat er nog toe deed. ‘Maar zondag wel.’
‘Zondag wordt het. Onder mijn kopje geef ik je mijn adres. Je komt alleen. Als ik ook maar iets verdachts vermoed, komen we niet tot een overeenstemming. Begrepen?’
Jack knikte.
De man schreef iets op een servet en stond op. ‘Ik zie je zondag.’ Hij had iets kouds in zijn grijsblauwe ogen. Het deerde Jack niet. Hij dacht aan de koeien. Hij dacht aan de keren dat hij in zijn hand spoot.

En hier lag hij dan.
De naamloze man – “DeDokter” noemde hij zichzelf op het Darkweb – draaide zich om en reed met een kar vol met instrumenten naar de tafel toe. Hij had een veiligheidsbril op, waardoor zijn ogen niet zichtbaar waren, maar Jack wist dat ze nog net hard en koud waren als toen.
‘Ik wil dat je rustig blijft,’ zei de man, terwijl hij een injectienaald pakte en deze geroutineerd in de benen van Jack leegspoot. Hij draaide Jack op zijn zij. Hij wist dat zijn rug en kont nu ontbloot waren en even smeekte hij inwendig om twee vingers vanbinnen te voelen. Daarvoor in de plaats voelde hij iets nats en plakkerigs tegen zijn rug gesmeerd worden, gevolgd door een gigantische pijn en druk, terwijl er iets in zijn ruggenmerg werd gespoten.

‘Dat is de ruggenprik,’ zei de man. ‘Om de pijn een beetje te stillen. Niet te veel natuurlijk. Maar wel een beetje.’
Hij werd weer op zijn rug gelegd. Hij was vanaf zijn nek verlamd. De man keek op hem neer. En even leek hij die koude ogen weer zien.
‘We beginnen. Langzaam. Als je iets voelt, moet je het zeggen.’

De man verdween uit zijn gezichtsveld, maar Jack hoorde wel een machine aangaan. Het leek op een cirkelzaag. Even voelde hij zijn lichaam schudden. Toen voelde hij iets warms langs zijn been glijden, maar was er niet zeker van.
‘Zo,’ zei de man. ‘Dat is een flinke hap’, en hij hield een bloederig stuk vlees omhoog. ‘Wil jij de eerste hap nemen? Jij bent immers de gast.’
Jack knikte. Hier had hij naar uitgekeken. Hier had hij over gedroomd. De man hield het stuk vlees voor zijn mond, zodat Jack het bloed eruit kon zuigen. De smaak deed hem aan die zomermaanden denken. Aan die poten die bleven spartelen. Maar ook aan andere dingen. Aan de momenten dat hij zich in zijn vinger had gesneden en het bloed had opgezogen. Of de keren dat hij zijn knieën had geschaafd en gefascineerd naar het washandje had gestaard. Dat was zíjn bloed. Het kwam uit zíjn lichaam.

Hij wilde meer. De man bewoog het stukje vlees plagend voor hem heen en weer. Net buiten bereik.
‘Neem maar een hapje. Ik weet zeker dat je het heerlijk zal vinden.’
Jack probeerde zijn hoofd op te richten, maar het lukte hem niet.
De man hield het vlees lachend te ver weg.

‘Als…tu…blief…t,’ wist Jack uit te brengen. De man lachte nog harder, maar liet het stukje vlees wel zakken. Jack nam onmiddellijk een hap. Het bloed, nog steeds warm, stroomde over zijn kin en wangen, hij proefde het vlees, kauwde erop en was verbaasd hoe zoet het was. De Dokter lachte nog harder. Hij nam het mondkapje af. Liet het stuk vlees boven zijn eigen mond hangen en liet het vervolgens in zijn keel glijden, zoals mensen in het voorjaar met haringen doen.
‘Je smaakt lekker, Jack,’ zei DeDokter. ‘Het is tijd voor je andere been. Ik heb hier het bot al geraakt.’
Jack kon het zich nauwelijks voorstellen. Was zijn hele bovenbeen weg? Was de cirkelzaag zo sterk? DeDokter liep om de tafel heen. Raakte heel even, plagerig bijna, de stijve penis aan, die als een berg onder de groene laken omhoog stak, en begon weer te snijden.
‘Deze gaat dieper,’ hoorde hij DeDokter zeggen. ‘Hoor je het schuren?’
Hij hoorde het inderdaad. Niet alleen van buiten, maar ook van binnen. Hij voelde het metaal tegen zijn bot schrapen. Hij dacht zelfs vonken in zijn ooghoeken te zien.
‘Het neemt een stuk van je bot mee. Lekker. Je kunt op merg zuigen, weet je. Dat is heerlijk.’

Weer hield DeDokter een stuk vlees voor Jacks mond. Het was zon grote lap dat de man het met beide handen moest vasthouden.
‘Zuig de punt leeg,’ hijgde hij. ‘Zuig het leeg, zodat alle bloed in je keel stroomt en het vlees wit wordt. Ik zal de rest in de vriezer leggen.’

Het vlees was duidelijk te zwaar om Jack te pesten. Het was makkelijk om het in de mond te nemen en te zuigen, zuigen en zuigen. En terwijl hij het bloed proefde, stond hij weer op dat godvergeten grasveld, waar de geur van bloed als een tastbare, vloeibare nevel in de lucht hing. Zo smaakte hij dus. Zijn opwinding groeide. En hij voelde een druppel sperma langs zijn penis glijden, waarop hij opmaakte dat DeDokter met zijn andere hand een flinke ruk aan zijn penis had gegeven. DeDokter trok het vlees uiteindelijk weg en Jack zag nog net hoe het uiteinde geheel wit was geworden, maar hoe de rest van de dijbeen nog steeds dieprood was van het bloed.
‘Ik ga dit morgen bakken,’ zei DeDokter. ‘Heerlijk met een wijntje erbij. En ik zal aan je denken, terwijl ik je eet.’

Jack had zich van het begin geen illusies gemaakt. Hij zou dit niet overleven. Dat wilde hij ook niet. Dat was de overeenkomst die hij met DeDokter had ondertekend. Het was vanaf het begin, daar in de chatroom, duidelijk geweest dat DeDokter dit eerder had gedaan. En Jack kon zich zo voorstellen dat in de kelder tien vrieskisten stonden, boordevol organen en vlees. De botten zouden ongetwijfeld vermalen en in de achtertuin begraven worden. Terwijl het Jack meer om het bloed en het ondergaan van onderdanigheid ging, wist hij dat het plezier bij DeDokter meer te maken had met moordlust en het doden. Het was in deze zin een eerlijke ruil. Een transactie die voor hen beiden tot een win-win situatie leidde. Hij was natuurlijk wel bang geweest. Bang dat DeDokter zich niet aan de afspraken zou houden. Hem niet zou martelen bijvoorbeeld. Of het hoogtepunt zou doen, die straks nog komen moest. Dat hij Jack meteen zou vermoorden.

Maar iets in het gezicht van DeDokter had hem ervan verzekerd dat dit niet het geval zou zijn. Dat ook hij – ondanks het feit dat kannibalisme belangrijker voor Jack was – ook genoot van de martelingen en misschien zelfs wel van het seksuele aspect dat onderhuids aanwezig was. Ooit had DeDokter zich laten ontvallen, dat hij anti-homoseksueel was. “Dat ze aan de hoogste bomen moesten worden opgeknoopt.” Maar Jack had meer van dit soort uitspraken gehoord. En hij had geleerd dat degene die het hardste schreeuwde, diep vanbinnen dezelfde verlangens had als hij.
DeDokter had nu al een paar keer zijn penis aangeraakt. Soms quasi per ongeluk. Maar hij had soms ook hard getrokken. Waarbij hij had gelachen, toen de druppel sperma langs de stam naar beneden gleed. Niet dat Jack nog veel voelde. Hij voelde een steek van genot, boven de zeurende pijn uit, maar de ruggenprik, die maar een gedeelte van zijn zintuigen wegnam, deed nog steeds zijn werk.

DeDokter boog naar voren zodat Jack zijn zurige adem kon ruiken en zei: ‘Ben je er klaar voor, Jack? Ben je klaar voor het hoogtepunt?’
Ze hadden dit tientallen keren besproken. En hoewel hij wist dat het moment zou komen, was hij toch enigszins teleurgesteld dat het zo snel was. Hij had zijn vingers toch nog? Zijn handen? Voeten? Er kon makkelijk een voet afgezaagd worden. Maar toen begreep hij het. DeDokter was bang dat hij door het bloedverlies zijn bewustzijn zou verliezen en de bedoeling van het hoogtepunt was dat het juist gebeurde als hij klaarwakker was. Dus knikte hij. Of probeerde te knikken. Zijn nekspieren waren waterige slierten zonder kracht.
‘Prima,’ zei DeDokter, terwijl hij een kussen onder het hoofd van Jack schoof, zodat zijn kin op zijn borst belandde en hij op zijn eigen lichaam neer kon kijken. Het bloed was overweldigend. Zijn benen waren opgescheurd. In zijn rechterbeen zag hij een gat, met daarachter een wat versplinterd bot. Het linkerbeen echter was een chaos. Alle vlees was daar weggezaagd. Het bot glinsterde in het witte licht. En hij zag het begin van zijn knie.
‘Ben je er klaar voor?’ vroeg DeDokter opnieuw.
Hij knipperde met zijn ogen. Het was het enige dat hij kon doen.

DeDokter pakte een scalpel, legde zijn gehandschoende hand vakkundig op de borstkas neer, alsof hij in zijn hoofd metingen deed. Uiteindelijk legde hij de punt van het mes bij het strottenhoofd en sneed naar beneden. In een rechte lijn. Het bloed welde op uit de snee, stroomde over zijn koude huid. Maar DeDokter liet zich niet van de wijs brengen. Hij pakte razendsnel een ander instrument. Jack bleef maar naar het bloed staren, dat nu in dunne rivieren langs zijn zijden op de ijzeren tafel terechtkwam. Vanuit zijn ooghoeken zag Jack dat de man een soort berenklem, daar leek het op, in zijn handen had. Hij voelde (en zag) hoe metalen punten in zijn lichaam werden gedreven en hoe DeDokter keihard aan het instrument trok.
Hier was het dan. Het hoogtepunt. Zijn borstkas en middenrif werden opengetrokken. Hij zag, hoorde, voelde zijn ribben kraken. Als luciferhoutjes. Hij zag zijn hart bonken in zijn borst. Hij zag zijn maag, lever en darmen die zelfs nu nog in beweging waren.
‘Dit was toch wat je wilde zien?’ vroeg DeDokter.

Jack kon niets zeggen. Hij kon niet eens meer knipperen. Maar wel huilen. Hij huilde dankbaar toen hij de binnenkant van zijn lichaam zag.
‘Hier ging het toch om?’
Weer een traan.
‘Je bloedt veel,’ zei DeDokter. ‘We hebben niet al te veel tijd’, en met deze woorden bracht hij beide gehandschoende handen naar voren en legde deze om het hart heen. Jack voelde zijn hart tegen zijn handpalmen kloppen.
‘Hier ging het om, toch?’
En nu kon hij wel knikken en nam de pijn ook toe. Een schurende en brandende pijn. De ruggenprik begon uit te werken.
‘Voel je mijn handen?’
Hij knikte.
‘Ik ga nu drukken… 1… 2… 3…’
En bij de laatste woorden drukte DeDokter zijn handen samen. Jack voelde een helse, branderige pijn die langs zijn schouder naar zijn middenrif verdween. Hij voelde hoe zijn hart vocht. Hoe de zilveren darmen in zijn onderbuik bewogen. Hij zag een zweetdruppel op het voorhoofd van DeDokter naar beneden stromen.
En toen werd langzaam alles zwart.

Hij stond weer voor de schuur. Zijn oom had hem opnieuw achtergelaten. De koeien werden geslacht. Net zoals hij in de verte ook een zaag tegen zijn ledematen voelde. Toen de koeienpoten bewogen, bewogen zijn benen ook. Alsof hij weg wilde. Weg van deze plek. Weg van deze pijn.
Weg van de plek waar het bloed het meest doordringend was.

Anthonie Holslag (Januari 2017)

Lees ook:

Laat een reactie achter

Uw e-mailadres wordt niet gepubliceerd.

Meld je aan op onze weekendnieuwsbrief
Krijg elk weekend een overzicht van het laatste horrornieuws!
Je kunt je elk moment afmelden