Verhaal: Het graf van Arthur O’Connel – H.G.A. van Schaik

Nu, in de zachte sneeuw rondom het geopende graf van mijn vriend in Longsleddale, los ik mijn belofte in. Mijn ongeloof maakte dat ik Arthur zijn smeekbede niet kon negeren. Toch heeft de angst mij nu in een ijzeren greep. Is het dan werkelijk waar dat de laatste telg van een nomadenstam Arthur kennis heeft laten maken met de ware godsdienst? Is onze planeet niets anders dan een zwevend ei dat ooit, als het einde daar is, zal uitbreken en ons universum een nieuw opperwezen en een nieuw begin zal schenken?

Uit het boek van Arthur begreep ik dat de stamleden van de oude Arabier allen begraven werden voordat ze stierven. Dit om te voorkomen dat het kwaad uit zou komen tijdens de verzorging van een slachtoffer. Hoewel er meer vragen dan antwoorden in mij leven, heb ik mij neergelegd bij de gruwel zoals die nu is en de half bevroren aarde uit Arthur zijn graf op een plank hout geworpen. Zo kan ik, wanneer ik in het graf mijn vriend wil vergezellen in de dood, aan het touw om mijn middel trekken en de plank met de aarde in beweging brengen. Vlak voordat de duistere kluiten over mij heen vallen zal ik de trekker overhalen. Het volgeschreven werkboek van Arthur zal samen met mijn brief in een blik naast de zerk gevonden worden. Althans, zo zal het noodlottige gevolg zijn. Want mijn rotsvaste ongeloof in Arthur zijn verhaal is bij het openbreken van zijn graf aan stukken geslagen. Nadat mijn schep de deksel van de kist versplinterd had, zag en hoorde ik de nakomelingen van Yahyam kruipen en krioelen over het uitgegeten lijk van mijn vriend. Hier nam de angst mijn wezen volledig over. De verkleurde en vergane vleesrestanten bewogen onder tientallen witte slangetjes die traag door het grijze gruis kropen. Artur zijn verhaal klopte en mijn spot werd wreed bestraft. Ik heb de beestjes tussen het rottende vlees en uit de openingen van mond en ogen vandaan geplukt en opgegeten. Na een vol uur eten kon ik, met het licht van mijn lantaarn, in het graf geen levend wezen meer bekennen.

Straks zal ik Arthur zijn meesterwerk afschrijven en in het blik stoppen. Vervolgens zal ik op zijn vergane corpus gaan liggen, het touw en de aarde naar mij toetrekken en schieten. Ik zal sterven in de overtuiging dat niet alleen Arthur, maar wij allen, verdoemd zijn. De wetenschap dat mijn vriend onze ware schepper ontdekt heeft, stemt mijn angst enigszins mild. Ook het feit dat door mijn nachtelijke maaltijd er aan het laatste einde wederom een verlenging zit, zal ik niet onbeschreven laten. In vriendschap zullen wij in de dood verbonden zijn in een kortstondige verlossing. Zachtjes kruipt de waanzin…

Het is ijskoud geworden en terwijl ik de laatste hand leg aan deze brief, hoor ik in het dal een hond blaffen. Dat beest heeft mij waargenomen. Het zal niet lang duren voordat er mensen op dit kerkhof verschijnen. Daarom is het tijd om mezelf over te geven aan de ondergang, op de eieren van het kind van Yahyam.

 

H.G.A. van Schaik is liefhebber van het korte verhaal. Om in een paar bladzijden een lezer volledig mee te krijgen in een specifieke sfeer en een vertelling op een verrassende wijze te laten exploderen, vindt hij behoren tot de hogere magie van het schrijversambacht. Groot liefhebber en bewonderaar van o.a. Edgar Allan Poe, Anton Tjechov, Roald Dahl, Levi Weemoedt, J.M.A. Biesheuvel, Robert Bloch, Henry Slesar en Raymond Carver. Na lange tijd alleen toneelstukken te hebben geschreven, ben hij zich gaan wagen aan het schrijven van duistere en vrolijke verhalen over curieuze mislukkingen. Het afgelopen jaar zijn er verhalen van H.G.A. van Schaik gepubliceerd in Pure Thrillers en Circumplaudo.
© 2010 H.G.A. van Schaik

▼ Advertentie
H.G.A. van Schaik

Alle artikelen geschreven door vrienden van De Nachtvlinders. Wil je ook meebloggen, kijk dan op http://denachtvlinders.nl/vacatures/

Plaats een reactie