Verhaal: Bloedvlekken (Anthonie Holslag)

De man sloot zijn linkeroog om hem beter te kunnen zien en schudde zijn hoofd. ‘Ik zie dat je moe bent,’ zei deze. Op dat moment werd hij kwaad. Net zo kwaad als hij buiten was geweest. Hij pakte de man bij de jas vast, beukte hem tegen de muur en schreeuwde: ‘Zie je niets aan mijn gezicht?’ De man keek geschrokken, de alcohol in zijn adem ruikbaar. Rum-cola. Hij had een hekel aan rum-cola drinkers. De man schudde zijn hoofd: ‘Moet ik iets zien dan?’

De man rukte zich los, deed een stap naar achter richting de deur en siste: ‘Verdomde gek.’ En snelde met deze woorden de wc uit.

Ok, zei hij tegen zichzelf, het was duidelijk. Het bloed was er slechts in zijn hoofd. Hij bekeek zichzelf in de spiegel, sloot zijn ogen en toen hij ze open deed, was het bloed inderdaad weg. Maar na een seconde was het er weer. De druppels veranderden nu in kleine riviertjes die via zijn kin op zijn jas, broek en grond druppelden.

Kalm blijven. Hij moest verdomme kalm blijven.

Uit zijn binnenzak haalde hij het potje dat hij die ochtend van de blondine gestolen had en gooide de laatste twee pillen in zijn handpalm, die steeds roder werd, en waar hij nu druppels bloed uit de poriën zag wellen. Hij smeet de pillen in zijn mond, vermaalde ze en dronk vervolgens uit de kraan. Hij had een hekel aan die smaak, de smaak van zetmeel en blauwe kleurstof, maar wist ook dat de pillen zo het snelst zouden werken, en bleef zo even staan, met zijn handen op de gootsteen en zijn hoofd gebogen. Toen hij zijn hoofd voorzichtig omhoog deed, zag hij eerst niets. Maar al snel zag hij weer het bloedige masker dat roder en roder werd. Zijn hele gezicht was rood.

Ik moet hier weg, dacht hij. Toen hij zich omdraaide zag hij een vriendelijke wc-juffrouw zitten, die waarschijnlijk zojuist was teruggekomen.

Ze zag het bloed ook niet, merkte hij aan haar lichaamstaal op, anders was ze wel gillend weggerend. Ze lachte hem vriendelijk toe en tikte met een pen, ze deed een kruiswoordpuzzel, op het bordje “50 cent.” Hij knikte. Haalde zijn portemonnee uit zijn zak, die ook doordrenkt was. Waar kwam dat verdraaide bloed vandaan? Zag de briefjes van honderd die uit zijn portemonnee staken en zocht in een zijvakje naar kleingeld. Ook het geld was rood. Net zoals zijn handen. Hij had moeite het geld vast te houden, het glipte tussen zijn vingers weg. Hij vond een euro en wierp die op het witte schoteltje, waar de munt onmiskenbaar rode spetters achterliet. De vrouw zag het niet. Ze glimlachte alleen maar.

Het was op dat moment dat hij het ook rook en dat hij ergens in de verte besefte dat het bloed ook in zijn neus zat. De metaalachtige- en warme geur die bloed eigen was. Hij werd misselijk, deed een stap naar achteren, ver van de vriendelijke oude vrouw vandaan en rende weer naar buiten, de kou in.

Buiten gleed hij uit op het stenen trappetje. Niet door de ijzel, maar door het bloed. Hij krabbelde weer omhoog. Heel zijn broek was nu nat. De spijkerstof was doorweekt, het gutste inmiddels op het ritme van zijn hartslag naar buiten. Hij voelde het bloed nu ook op zijn middenrif en rug.

‘Het is een illusie,’ zei hij tegen zichzelf, terwijl de Xanax zijn bloedstroom bereikte en hij dat heerlijk tintelende gevoel in zijn lichaam en hoofd kreeg, waardoor alles even afstandelijk en onecht leek. ‘Het is een illusie.’ Toch moest hij zo snel mogelijk naar huis, voordat deze illusie te echt leek en hij zou gaan gillen, eindeloos gillen, zodat hij zeker zou worden opgepakt.

Hij begon weer te rennen en zag tot zijn ongenoegen dat hij een spoor van bloed achter zich liet.

De straten draaiden. De gele straatverlichting zwierde. Hier en daar zag hij mensen door de sneeuw struinen. Verliefde koppels hielden elkaars hand vast. Een hond blafte. Hij vermeed de hoofdwegen, de Overtoom, de Kinkerstraat, rende door de duistere zijstraten en had het gevoel, terwijl hij rende, dat hij dronken was. Dat hij de wereld door een lange donkere tunnel bekeek, waar aan het uiteinde alles was gekanteld, verwrongen, een caleidoscoop van kleuren en beelden die hij niet thuis kon brengen. Op een gegeven moment hoorde hij een zwerver iets aan hem vragen. De woorden en de mimiek van de mond kwamen niet met elkaar overheen. De zwerver, zo zag hij, had een vuilniszak als kleding aan, vastgebonden om zijn middel met een enkele touw. ‘Alles goed, knul?’ vroeg hij. Hoewel het meer als ‘aalllleeeesssss-gggooooeeeeddddd-kkknnnuuuulll’ klonk. Woorden die werden uitgerekt. Hij rende verder. Liep tegen iets hards aan en viel op de grond, en staarde naar de bomen en de daarboven heldere sterrenhemel. Als hij zijn linkeroog dicht deed zag hij de takken, als hij zijn rechteroog dichtdeed zag hij de sterren. Er lag een pak sneeuw op de bladeren. De takken bewogen in de wind. Hij hoorde kerstengelen, of dacht tenminste dat hij kerstengelen hoorde, kerstengelen die in de bomen zongen, rinkelend als holle pijpjes in de wind. Hij moest lachen. Probeerde door met zijn armen te wapperen een engel in de sneeuw te maken en walgde van zichzelf toen hij zag dat het sneeuw waarop hij had gelegen donkerrood gekleurd was.

Een sneeuwengel van bloed.

Hij rende verder. Zijn benen wisten waar ze hem naartoe moesten dragen en lieten, als hij achterom keek, een spoor van bloed achter op de grond. Het sijpelde tussen zijn schoenen. Het droop onder zijn pijpen vandaan.

Lees verder op pagina 5 van 6

een bloedovergoten dageraadOndoden. Spinnen. Een bungalow in de mist, bloedsporen die niet kunnen verdwijnen, meisjes in rode jassen en een dageraad, een bloedovergoten dageraad waar een zoon naar zijn moeder zoekt… En waar niets meer hetzelfde zal zijn…
Een Bloedovergoten Dageraad is de nieuwe verhalenbundel van Anthonie Holslag en is nu te verkrijgen. Dit is een verhaal uit die bundel.

Plaats een reactie