Verhaal: In de mist (Anthonie Holslag)

Ook bij hem waren de ramen zwart, zo zag hij. Terwijl hij wist dat binnen de televisie aanstond en de kinderen op bed lagen. Zijn vrouw stond ongetwijfeld achter het fornuis. Maar toch… En hij hield nu op met rennen. Als hij van deze afstand naar het huisje keek, leek het in de melkachtige omgeving haast onbewoond. Weer kreeg hij het gevoel van déjà vu en herkenning. Weer wist hij, dat hij dit eerder had bedacht.

Niet alleen de dagen, maar ook zijn gedachten leken op elkaar. Een kopie van een kopie. Lege vellen papier met een wit vlak.

Binnen rook het naar ei en spek en stond zijn vrouw leunend tegen het aanrecht. Ze zag er niet goed uit. Zoals hij de laatste dagen steeds vaker dacht. Of was het langer dan dat? Hij kon het gevoel van herkenning haast niet meer onderdrukken. Hij zoende haar nek, knuffelde haar en vroeg hoe ze zich voelde. Ze gromde iets wat van alles had kunnen betekenen, maar wees vervolgens met de spatel naar het keukengerei voor haar.

‘We moeten ontbijt maken,’ zei ze, terwijl hij in haar stem hoorde dat ze geen honger had. ‘We moeten iets eten.’ Achter haar stond de tv aan. Hij zag beelden van ambulances, rennende broeders en kreeg het vreemde gevoel dat hij deze beelden al eerder had gezien.

‘Hoe gaat het met David jr. en Jeremehia?’

Ze lachte. Een mooie lach die hem aan vroeger deed denken. Aan de periode waarin ze net samen waren gaan wonen en ze tot diep in de nacht over de toekomst konden fantaseren. Nu leek diezelfde toekomst al ingevuld. (Witte vellen papier.) En waren de mogelijkheden minder dan ze zich tijdens die warme nachten hadden voorgesteld. Die lach was de afgelopen jaren vermoeider geworden, maar tegelijkertijd niet minder voldaan.

Het was de lach van iemand die tevreden maar moe was.

‘Ze liggen op bed,’ zei ze en weer kreeg hij het gevoel van déjà vu. ‘Ik denk dat de kinderen eeuwig kunnen slapen.’ Hij keek weer naar de tv, terwijl hij stiekem een stuk augurk van het aanrecht pikte. Op de tv stond de correspondent iets te vertellen. Het geluid stond uit. En weer kreeg hij een gevoel van herkenning. De man was duidelijk bezorgd.

‘Het ziet er naar uit dat het in de steden steeds slechter begint te worden,’ zei hij tegen zijn vrouw. Ze knikte. ‘Ik denk dat de ziekte zich als een pandemie heeft verspreid.’ Ze knikte weer en wreef tegelijkertijd over haar onderrug.

‘Ik wil dat je straks weer even naar mijn benen kijkt,’ zei ze, nog steeds met de spatel in de hand. ‘Ze doen steeds meer zeer.’

Hij knikte. Graaide nog een augurk van het aanrecht en wendde zich van de tv af.

‘Is er iets dat ik voor je kan doen?’ vroeg hij. Dat was misschien wel het grootste voordeel van vakanties: omdat je geen andere verplichtingen had, niet werd opgeslokt door de dagelijkse rompslomp, kon je oprecht iets voor de ander doen. Niet de sociale en relationele verplichting die je zelf vaak voelde met het oog op de klok. Tijdens een vakantie had je daadwerkelijk tijd voor elkaar. Kon je elkaar daadwerkelijk weer “zien”. En hoe oprecht en zuiver deze gedachte ook was, het gaf hem desondanks een rilling.

Hij wist al wat ze zou antwoorden: ‘We hebben nog meer brood nodig. Zou je misschien even naar het winkeltje kunnen gaan?’ Hij knikte, stal nog een augurk en zoende haar op haar wang. ‘Tuurlijk,’ zei hij, terwijl hij zich opnieuw naar de voordeur bewoog. Het zweet van zijn training plakte nog steeds aan zijn lichaam. Niet dat het iemand in de winkel of in de mist zou opvallen.

Opnieuw had hij het gevoel van déjà vu. Opnieuw leek alles op vellen wit papier. ‘Nog meer?’ vroeg hij. En ook hier wist hij het antwoord al.

‘Ja, koop ook wat jam.’

Hij knikte, had de deurklink al in zijn hand, toen ze achter hem zei: ‘Ze noemen het hersenschimmel.’

‘Wat?’ Hoewel hij het antwoord al wist. Dezelfde herkenning. ‘Ze noemen de nieuwe ziekte hersenschimmel. Het is overal op het nieuws.’

Met deze woorden stapte hij naar buiten. De mist voelde kouder en klammer dan daarvoor. “Hersenschimmel.” Waar had hij dat eerder gehoord?

Het winkeltje was dicht. Er hing een bordje met de tekst: “Tijdelijk dicht door persoonlijke omstandigheden.” Het verbaasde hem, maar tegelijkertijd ook weer niet. Net zoals met alles, had hij het gevoel dat hij hier al meer dan honderden keren was geweest. Dat hij het bordje al honderd keer had gelezen. De deurklink een honderd keer in de hand had gehad. Op dezelfde plek. Op hetzelfde tijdstip. Dezelfde omstandigheden. Kopie van een kopie. Lege vellen met een wit vlak.

Hij veegde met zijn mouw de condens van het glas en keek via de deur naar binnen. Alles was donker. De gangpadlichten waren uit. Iemand had een winkelwagentje bij de kast met broden laten staan. Die was nog vol, hoewel het brood van deze afstand oud leek. Zelfs beschimmeld. Misschien hadden ze pauze, dacht hij, terwijl hij op zijn horloge keek. Misschien kwam er zo weer iemand terug. Het leek hem sterk dat de winkel de hele dag dicht zou blijven, ongeacht wat de “persoonlijke omstandigheden” ook waren. Het was tien uur in de ochtend, misschien was dit nog het bordje van gisteravond – hoewel hem dit onwaarschijnlijk leek. Hij overwoog om naar de receptie van het park te lopen om te vragen waar iedereen was, maar bedacht zich en liep langs de speeltuin en het zwembad naar het rode bankje, dat op een heldere dag een geweldig uitzicht over de Moezel bood. De speeltuin was leeg. Een schommel bewoog krakend, onheilspellend. Toen hij zijn gezicht tegen het raam van het zwembad drukte, zag hij dat er niemand in het water was. Hoewel hij even meende dat hij water zag spetteren alsof iemand in de rechterbaan zwom. Een luchtbed dobberde op de oppervlakte. Iemand had een gele eend in het kinderbadje achtergelaten. Uitgestorven. Leeg. En weer kreeg hij het beklemmende gevoel van watten. Dat de mist niet alleen kolkte en draaide, maar letterlijk aan zijn lichaam plakte. Hij had hier eerder gestaan en eerder zijn gezicht tegen het glas gedrukt. Ook toen was het luchtbed lichtgroen geweest. Ook toen dreef er een geel eendje. Ook toen had hij zich mistroostig gevoeld.

Lees verder op pagina 3 van 6

een bloedovergoten dageraadOndoden. Spinnen. Een bungalow in de mist, bloedsporen die niet kunnen verdwijnen, meisjes in rode jassen en een dageraad, een bloedovergoten dageraad waar een zoon naar zijn moeder zoekt… En waar niets meer hetzelfde zal zijn…
Een Bloedovergoten Dageraad is de nieuwe verhalenbundel van Anthonie Holslag en is hier te verkrijgen. Dit is een verhaal uit die bundel.

Anthonie Holslag

Anthonie Holslag: is een schrijver van de boeken van o.a. Zwarte Muren, Een Bloedovergoten Dageraad, In het Kille Ochtendlicht, L.O.O.P en Toevluchtsoord. Boeken die positief gerecenseerd zijn en gekenmerkt worden door hun subtiele horror en gelaagdheid. Recensies, info, andere publicaties en blogs zijn te vinden op: anthonieholslag.com. Website: https://www.anthonieholslag.com

3 gedachten over “Verhaal: In de mist (Anthonie Holslag)”

  1. Sterk verhaal. Ben benieuwd naar de bundel, leuk cadeau voor de aankomende feestdagen.
    Oh en op pagina 5 klopt de verwijzing naar de volgende pagina niet 😉

    Beantwoorden

Plaats een reactie

//