Verhaal: In de mist (Anthonie Holslag)

Het luchtbed was altijd lichtgroen, het eendje altijd geel en ze dobberden altijd op de golven van het water. Alles was een continuerend geheel.

Hij schudde het idee van zich af. Het gevoel was te claustrofobisch, te klam – als een zwart monster dat zich aan zijn huid vastzoog. Hij liep naar het bankje achter het zwembad dat als veertienjarige zoveel betekenis voor hem had gehad. Hier had hij zijn eerste vriendinnetje gezoend. Een vakantieliefde. Hij kon het zich nog herinneren. Achter hen, waar nu het zwembad stond, was er een disco geweest en hij had – na stiekem wat drank naar binnen te hebben gesmokkeld – haar mee naar buiten genomen en ze hadden samen op het bankje gezeten. Hand in hand. Uitkijkend op het dorpje onderaan de vallei, dat in de avond was verlicht. De glinstering van de verlichting op de kromming van de Moezel, de maan die op het water scheen; het was perfect. Een gekleurd vel uit een kopieermachine. Hij had geaarzeld, was zelfs bang geweest, had alle moed bij elkaar geschraapt, had zich vervolgens voorover gebogen en haar gezoend. Haar lippen waren droog geweest, dat herinnerde hij zich nog. Barstend droog. Haar tong liet ze als dood stuk vlees in haar mond liggen. En ze had hem aangekeken met haar bruine ogen. Hij had rode en groene discolichten op haar oogballen gezien. Het was geen fantastische zoen, maar wel zijn eerste zoen. En hij had zich op die avond op een vreemde manier een man gevoeld.

Nu was hij ouder. Had een gezin. Twee kinderen en een prachtige vrouw. Ook was het geen zomer meer, maar herfst. Hij ging zitten. Het bankje voelde koud en vochtig aan en hij staarde naar beneden, waar hij na de eerste rij wijnranken, die nog net zichtbaar waren, niets meer kon zien. De gehele vallei was in een witte wolk veranderd die op een vreemde manier kolkte, bewoog en vrat; als wolken die tegen elkaar botsten en in elkaar verdwenen. Hij zag dat sommige wolken een grijze, donkere tint hadden.

De schommel begon links achter hem luider te bewegen. Even had hij het idee dat hij in het zwembad iemand hoorde lachen. Toen waren deze impressies ook weer weg.

Het was stil. Hij hoorde de vogels en de weg niet. Hij hoorde niets.

Hoe lang was hij al in het park? Hij kon het zich niet meer herinneren. In deze eeuwigdurende mist leek het een eeuwigheid. Hij herinnerde zich nog wel dat ze naar het park reden en dat David jr. onderweg de hele tijd had gehoest. “We zijn er bijna,” had hij tegen zijn gezin gezegd en hij had enthousiasme bespeurd, toen de ze bergen met de groene wijnranken zagen. “Jullie zullen straks een van de mooiste uitzichten zien.” Hij wilde hen over de Zonnekoning vertellen, maar deed dat uiteindelijk niet. Ze hadden het al tientallen keren gehoord en het uitzicht al tientallen keren gezien. Hij zag Jeremehia in zijn achteruitkijkspiegel met zijn ogen draaien. David jr. hoestte.

Maar ze hadden niet gekeken. Hoewel hij het niet met zekerheid kon zeggen, zijn geheugen was op een vreemde manier troebel – net zo kolkend en bewegend als de wolken in de vallei voor hem – maar volgens hem was de mist al vanaf de eerste dag, toen ze de berg opkwamen, aanwezig geweest. Vaag kon hij zich herinneren dat hij hier bij het bankje met zijn gezin had gestaan en naar beneden had gekeken. Dat zich achter die wolken de kromming van de rivier, de burcht openbaarde en dat hij “dat is ooit een klooster geweest” tegen zijn zonen had gezegd. David jr. bleef onophoudelijk hoesten. “Boten die de rivier passeerden moesten een tol betalen om verder te kunnen, daarom zijn al die dorpen hier opgebloeid. Dat en de wijn natuurlijk. Dit is een echte wijnstreek.”

Ze hadden gelachen. Dat herinnerde hij zich ook nog. Vaag. Onduidelijk. Hij wist niet of het een herinnering of een droom was. Maar de lach van David jr. had rasperig geklonken. Zwak en breekbaar alsof er grind in zijn keel schuurde.

Nu schopte hij de steentjes van zijn gympen en stond op. Hij zou toch geen glimp van de dorpen beneden opvangen. Links van hem begon de schommel weer te bewegen. Even hoorde hij weer gelach in het zwembad vlakbij.

Hij liep naar de winkel, zijn handen diep in zijn zakken gestoken, en zag dat deze nog steeds dicht was. Weer veegde hij de condens van het raam en weer tuurde hij naar binnen. Even had hij het gevoel dat de winkelwagen zich verplaatst had; dat hij nu bij de vleesafdeling stond. Ook het vlees leek bedorven te zijn. Maar hij kon zich vergissen. Ook had hij even het gevoel dat er zich iets achter de toonbank bewoog. Maar er was niets. Helemaal niets. Kopieën van kopieën. Hij legde zijn handen nu tegen het raam om nog beter te kunnen kijken en zag toen iets in het linkergangpad waardoor een gevoel van déjà vu hem onmiddellijk overviel. Er lag een blik sperziebonen op de grond. Het rolde. Alsof het zojuist daar was gevallen. Maar dat was niet het enge. Het enge waren de spetters bloed die hij rond het blik sperziebonen op de grond zag. Even moest hij weer aan de nieuwsuitzendingen voor de vakantie denken. De nieuwsberichten over de “nieuwe ziekte” die vooral de stedelingen in zijn greep hield.

“Het begint met griepverschijnselen,” had de journalist in de camera gezegd. “Daarna met psychoses. Gevolgd door de dood.”

Later begreep hij dat de psychoses niet noodzakelijk hoefden plaats te vinden. Dat sommige patiënten in hun slaap stierven. Dat de hoestbuien, waarbij de patiënt bloed ophoestte, soms al voldoende waren. “Hersenschimmel,” noemden ze het. Ook al wist hij niet hoe ze aan de naam waren gekomen. Hij wist wel dat in de steden een ware pandemie heerste.

Hij deed een stap naar achteren. Trok de jas nog dichter tegen zich aan en besloot dit niet tegen Margareth te vertellen. Ze zou alleen maar in paniek raken en daar had niemand wat aan.

Hij liep weer terug, onder het viaduct door naar de bungalow en het viel hem opnieuw op, hoe stil alles was.

‘De winkel was dicht,’ zei hij, terwijl hij de kou en modder van zijn gympen klopte. Zijn jas en broek waren nat. ‘Ik denk dat ze door de mist de winkel hebben dichtgegooid.’ Ze stond nog steeds in de keuken – en weer kreeg hij het gevoel van déjà vu – en keek hem knikkend om het hoekje van de keuken aan.

‘Iedereen blijft binnen,’ zei ze. ‘Het is buiten ook zo verdraaide koud.’

Ze had gelijk. Dit was niet de vakantie die ze zich beiden hadden voorgesteld. Hij had zich daar eerst schuldig over gevoeld, maar gezien de chaos in de steden, was hij blij dat hij daar niet was.

‘Hoe gaat het met de kinderen?’ vroeg hij, terwijl hij om het hoekje van hun kamer naar binnen keek. Ze lagen daar heerlijk te slapen. Jeremehia hield David in zijn armen, deze hield op zijn beurt weer een beer vast. Weer kreeg hij een gevoel van herkenning, maar meer dan dat, ook een paniekerig angst, die hij snel terzijde schoof.

‘Er is hier ook niets voor ze te doen,’ zei hij. ‘Ik zou als het kon ook slapen.’ Zijn vrouw lachte en werkte verder aan het ontbijt.

Lees verder op pagina 4 van 6

een bloedovergoten dageraadOndoden. Spinnen. Een bungalow in de mist, bloedsporen die niet kunnen verdwijnen, meisjes in rode jassen en een dageraad, een bloedovergoten dageraad waar een zoon naar zijn moeder zoekt… En waar niets meer hetzelfde zal zijn…
Een Bloedovergoten Dageraad is de nieuwe verhalenbundel van Anthonie Holslag en is hier te verkrijgen. Dit is een verhaal uit die bundel.

Anthonie Holslag

Anthonie Holslag: is een schrijver van de boeken van o.a. Zwarte Muren, Een Bloedovergoten Dageraad, In het Kille Ochtendlicht, L.O.O.P en Toevluchtsoord. Boeken die positief gerecenseerd zijn en gekenmerkt worden door hun subtiele horror en gelaagdheid. Recensies, info, andere publicaties en blogs zijn te vinden op: anthonieholslag.com. Website: https://www.anthonieholslag.com

3 gedachten over “Verhaal: In de mist (Anthonie Holslag)”

  1. Sterk verhaal. Ben benieuwd naar de bundel, leuk cadeau voor de aankomende feestdagen.
    Oh en op pagina 5 klopt de verwijzing naar de volgende pagina niet 😉

    Beantwoorden

Plaats een reactie

//