Verhaal: In de mist (Anthonie Holslag)

De afvalzak was vol. Hij leegde nog enkele asbakken en raapte wat rotzooi van de vloer. Hoe

konden kinderen zoveel rotzooi achterlaten, vroeg hij zichzelf voor de zoveelste keer af. Hij knoopte de afvalzak dicht.

Even keek hij naar zijn handen, zoals hij ook daarvoor naar zijn handen had gestaard over de wasbak toen hij de afwas deed. Hoe vaak had hij geen vuilniszakken dichtgemaakt? Hoe vaak had hij niet afgewassen? Het waren normale dagelijkse handelingen. Maar hij was er zich nu bewust van, had het gevoel dat hij dit al duizenden keren had gedaan.

Hij liep naar buiten, op zijn blote voeten, naar de afvalcontainer die ongeveer vijf meter verder achter een dikke sluier stond. Hij zag hem als een donker en grijs gevaarte langzaam opdoemen. Hij liep snel. De steentjes prikten in zijn voetzolen en hij gooide de zak, zodra hij de afvalbak had gevonden, diep de container in. Weer kreeg hij een gevoel van herkenning. Van déjà vu. Weer voelde hij de paniek branden. Een dagelijkse, normale handeling. Een kopie van een kopie. Hij keek om zich heen. Niets anders dan dichte mist. Kolkende mist, die alles verborg. Toch kreeg hij plotseling het gevoel niet alleen te zijn. Dat zich iets in de mist bevond. Dat hij donkere gedaanten zag bewegen. Mensen die hem naderden. Die dichterbij kwamen.

Hij herinnerde zich dat ze met zijn allen in het park waren aangekomen. Hij herinnerde zich hoe ze de dag daarop allemaal hadden gehoest. Was het Jeremehia geweest, hij kon het zich niet meer herinneren, die voor het eerst bloed ophoestte? Dat er druppels bloed op de keukentafel kleefden, toen hij na een hap cornflakes had gekucht. Hij had angstig opgekeken, dat herinnerde hij zich nog. Grote, ronde kinderogen. Die grote lepel in zijn rechterhand. “Is dat goed, papa?” had hij gevraagd. En hij had slechts geknikt. Ze mochten het virus niet hebben. Het mocht niet. Het kon niet. Het was te irreëel.

             De gedaantes bewogen, en voor het eerst besefte hij, hoewel de dag in zijn vaste ritme verliep, en iedere dag een herhaling leek van de dagen daarvoor, dat dit anders was. Dat iets in de mist hem probeerde te grijpen. Hier was geen gevoel van déjà vu. Dit hoorde niet te gebeuren. Weer voelde hij de paniek. Hij hoorde het als een pieptoon krijsen. Hij voelde de lege handen in de mist graaien, voelde hun schuifelende voeten naderen, met iedere stap kwamen ze nader en als ze er waren, zo wist hij met een verduivelde zekerheid, dan kon hij ze niet ontkomen, dan moest hij – wat zijn geest ook verborg – in zijn volledigheid erkennen, “zien”.

Ja, dan moest hij het onder ogen gezien. Wat “het” ook was.

“Moeten we naar de dokter?” had Margareth gevraagd. “Nee, nee, nee,” had hij gezegd. “Het is niet het virus. Misschien een ernstige verkoudheid, maar niet het virus.” Hij was naast zijn vrouw gaan liggen en hield haar om haar middel vast en had samen met haar naar de mist gekeken, die uit het niets opdoemde en aan het raam kleefde.

In zijn achterhoofd zag hij hun lijkbleke gelaten – net zo wit als de mist – zag hun gapende monden, hoorde hun fluisterende geschreeuw. “Laat ons gaan. Laat ons alsjeblieft gaan. Oh David, oh David, alsjeblieft.” Ze leken op zijn kinderen, op zijn vrouw, op zijn moeder. Hij gilde, hoewel hij dat niet wilde, voelde zijn lichaam huiveren en nog voordat hun handen zijn lichaam konden bereiken – en op een dag zouden ze dat doen, dat wist hij – draaide hij zich met een ruk om.

“We gaan morgen naar een dokter toe, toch?” had Margareth gevraagd en hij had “ja” gezegd. Vlak voordat hij haar vastpinde. Vlak voordat ze met haar ogen begon te draaien. Vlak voordat ze “ik zie alles” schreeuwde en hij haar sussend vertelde dat ze stil moest zijn. Dat ze de ziekte niet mochten hebben. Niet mochten hebben. Niet mochten hebben. Niet mochten hebben.

            Dat het niet bestond.

Hij rende de bungalow in. Hij hoorde de schuifelende voeten naderen en sloot de deur.

Hier was hij veilig, dacht hij, terwijl het zweet van zijn voorhoofd droop. En weer ving hij die eigenaardige geur op die hem aan dode muizen deed denken. Alleen sterker. Prangender. Tegelijkertijd was de geur zo vertrouwd, dat hij onmiddellijk weer verdween.

“Hou me vast,” had ze gevraagd. “Hou me vast.” En toen had ze non-stop gehoest.

Hij liep naar de kamer van zijn zoontjes en zag hoe ze daar nog steeds vredig lagen. Jeremehia op zijn rug, zijn arm om Davids schouder. David die de knuffelbeer in zijn vuistje vasthield met zijn rechterduim in zijn mond. Hij liep naar de slaapkamer van Margareth en zag dat ze nog steeds op haar zij lag.

Alles was goed, alles was goed. Hij probeerde op adem te komen.

Alles was goed.

Hij ging naast haar liggen. Snoof de geur van haar haren opnieuw op. En besloot dat hij wel later aan het avondeten zou beginnen. Het had geen haast.

“Komt alles goed?” had ze aan hem gevraagd. En hij had “ja” geknikt.

Hij had “ja” geknikt en sloot zijn ogen.

 

Hij werd wakker. Een nieuwe ochtend. De mist omringde het bungalowpark waarin ze zaten. Hij trok stilletjes zijn gymschoenen aan en begon aan zijn dagelijkse training. Hij rende een vast parcours: het bungalowpark uit, een pad rechts de bossen in waar hij, zo wist hij zeker, straks de schim van een everzwijn zou zien. Hoe hij dat wist, begreep hij zelf ook niet. Maar het zou er zijn. Het zou komen. Er was een ritme, een eeuwigdurend ritme, waar hij zich aan vasthield. Waar hij zich aan vast diende te houden. Als een kopie van een kopie. Lege vellen papier met een wit vlak.

Hij zou rennen, afwassen, naar de winkel gaan en de wonden van zijn vrouw insmeren. Onderwijl zou de mist bewegen, zoals de mist altijd deed.

Kolkend, draaiend en vretend. Wolken die in elkaar zouden opgaan.

een bloedovergoten dageraadOndoden. Spinnen. Een bungalow in de mist, bloedsporen die niet kunnen verdwijnen, meisjes in rode jassen en een dageraad, een bloedovergoten dageraad waar een zoon naar zijn moeder zoekt… En waar niets meer hetzelfde zal zijn…
Een Bloedovergoten Dageraad is de nieuwe verhalenbundel van Anthonie Holslag en is nu te verkrijgen. Dit is een verhaal uit die bundel.

Anthonie Holslag

Anthonie Holslag: is een schrijver van de boeken van o.a. Zwarte Muren, Een Bloedovergoten Dageraad, In het Kille Ochtendlicht, L.O.O.P en Toevluchtsoord. Boeken die positief gerecenseerd zijn en gekenmerkt worden door hun subtiele horror en gelaagdheid. Recensies, info, andere publicaties en blogs zijn te vinden op: anthonieholslag.com. Website: https://www.anthonieholslag.com

3 gedachten over “Verhaal: In de mist (Anthonie Holslag)”

  1. Sterk verhaal. Ben benieuwd naar de bundel, leuk cadeau voor de aankomende feestdagen.
    Oh en op pagina 5 klopt de verwijzing naar de volgende pagina niet 😉

    Beantwoorden

Plaats een reactie

//